Steeds weer veranderen: echt Picasso

Amper 18 was hij bij aankomst in Parijs. Overal in de stad hing de geur van experiment. Picasso zoog alles op, zo valt te zien in Amsterdam.

Beeldende kunst


Picasso in Parijs

AMSTERDAM - Picasso is Picasso is Picasso. Dat is althans het beeld dat je hebt van de Spaanse schilder, beeldhouwer, graficus, pottenbakker et cetera. De kunstenaar die nooit anders is geweest dan het beeld dat van hem is ontstaan. De eeuwige jongeling. De vernieuwer. De man die, zoals hij zelf zei, 'niet zoekt, maar vindt'.


Dat ook zo'n kolossaal imago als dat van Picasso niet zomaar uit de lucht komt vallen, is het onderwerp van de tentoonstelling die het Van Gogh Museum op dit moment aan hem besteedt: Picasso in Parijs, 1900-1907. De periode staat voor de erste zeven jaren dat hij in Frankrijk verbleef. Achttien jaar was Picasso pas, toen hij vanuit Barcelona arriveerde. Maar al wel uitermate getalenteerd door de klassieke opleiding die hij van zijn vader, een tekenleraar, had gekregen in het wat belegen Spaanse kunstmilieu.


Parijs bleek anders. De stad bevond zich op het hoogtepunt van haar roem. Overal hing de geur van het experiment. Het moet Picasso de ogen hebben geopend. In galeries was het werk van Van Gogh, Gauguin, Toulouse-Lautrec en Cézanne te zien. Picasso was jong, gedreven, bloedserieus, ambitieus, competitief. Hij zoog alles in zich op: de heersende stijlen, wat modieus was. Hij imiteerde de vrolijk gespikkelde kleurenwereld van Henri de Toulouse-Lautrec. De geboetseerde verfstijl van Vincent van Gogh. De kogelronde sinaasappels van Paul Cézanne. De robuuste vrouwen van Paul Gauguin. De sensuele vrouwen van Pierre Bonnard. De oude vrouwen van Auguste Rodin. En uiteindelijk ook, hoewel later, de kubistische vrouwen van Georges Braque.


Uit de tentoonstelling in het Van Gogh Museum doemt het beeld op van de jonge kunstenaar als een postmodernistische jatter. Gulzig. Zelfbewust. Dat wist hijzelf maar al te goed. In 1906 schilderde hij een zelfportret. Een sterk beeld, met half openstaand shirt, krachtdadige kin. Je ziet de jeugdigheid, maar ook de volwassen zelfverzekerdheid. Een paar krachtige contouren, een terughoudende kleurkeuze - meer had hij niet nodig om zichzelf te presenteren. Hij nam zelfs niet de moeite in zijn rechterhand een penseel te schilderen. Dat hoefde niet. Bewees het zelfportret al niet genoeg dat hij een schilder was? De beste.


Toch knaagt er iets bij de expositie in Amsterdam. Je probeert op dit soort tentoonstellingen altijd het momentum te ontdekken, het jaar, de dag, de gebeurtenis waarop een kunstenaar zijn eigen stijl vindt. Het ogenblik waarop uit alle eerdere ontwikkelingen dé Picasso ontstaat. Bij Jan Dibbets zag ik ooit jaren geleden in zijn archief alle 'kunstwerken' die hij als aanstormende talent had gemaakt.


Dat bleken er heel veel te zijn. Hij had zelfs een portret ondersteboven geschilderd, 'maar wel twee jaar voordat Baselitz dat deed'. Elk half jaar veranderde hij van stijl, totdat Dibbets Dibbets werd, de kunstenaar zoals we hem nu nog steeds kennen, van zijn perspectiefcorrecties en puristische Saenredam-fotografie. Hetzelfde gold voor Kees van Dongen. Op zijn tentoonstelling, einde vorig jaar in het Boijmans, was goed te zien hoe hij alle stijlen van anderen in zich opslurpte en degusteerde om uiteindelijk tot de zijne te komen. Van Dongen was daarin net zo opportunistisch als Dibbets, en elke andere jonge kunstenaar die niet alleen wil zoeken, maar ook vinden.


Picasso was in zijn eerste Parijse jaren niet anders. Blijft de vraag wat Picasso tot Picasso maakte. Wie zijn latere werk een beetje kent, weet dat hij zijn experimenteerdrift ook na 1907 nooit heeft opgegeven. Hij maakte classicistische schilderijen, speelse sculpturen, minimalistische tekeningen, politiek geëngageerde historieschilderingen, amoureuze prenten, erotische dubbelportretten; in alle denkbare kleurencombinaties, lijnvoeringen en materialen.


Waar anderen uiteindelijk tot hun eigen, herkenbare stijl kwamen, bestond Picasso's herkenbaarheid hieruit: dat hij om de zoveel jaren van gedaante veranderde. De man is gebleven wie hij al op jonge leeftijd was. Een postmodernist avant la lettre. Die aanvankelijk stijlen van anderen imiteerde om er zelf beter van te worden, maar die op den duur deze stijlwisselingen tot zijn corebusiness heeft gemaakt. Met succes. Ook dat wist hij blijkbaar al in het begin. Op het verwijt destijds in Parijs, dat hij wel heel veel van Toulouse-Lautrec en Steinlen had overgenomen, antwoordde Picasso: 'Dat kan wel zo zijn, maar nog nooit is een schilderij van Toulouse-Lautrec of Steinlen voor een werk van mij aangezien!'


Rutger Pontzen


Meer over