Steeds meer premières in theater (Gerectificeerd)

Het aantal premières van theateren dansvoorstellingen in Nederland is de afgelopen twintig jaar meer dan verdubbeld, van vierduizend naar tienduizend premières per jaar....

Ten opzichte van de naoorlogse situatie is het toneelaanbod nog veel sterker gegroeid. Rond 1950 lag het aantal premières nog beneden de duizend. De groei van het aantal premières heeft evenwel niet geleid tot een toename van het aantal voorstellingen per productie .

Vooral in de gesubsidieerde toneel- en danssector is de trend juist dat nieuwe stukken korter worden gespeeld. Dat laatste komt ook doordat schouwburgen steeds commerciëler gaan programmeren. Ze kiezen sneller voor musicals, vrije sector of cabaret, waarmee ze de zalen gemakkelijker vol krijgen.

Volgens theaterwetenschapper Anja Krans van het TIN is de stijging van het aantal premières te danken aan de invoering van een nieuwe subsidiesystematiek eind jaren tachtig.

Tot die tijd werden alleen een paar grotere gezelschappen permanent gesubsidieerd. Nu zijn er in de Cultuurnota ruim zevenhonderd instellingen opgenomen die vier jaar lang subsidie krijgen. Een flink deel hiervan opereert in de podiumsector. 'Het is niet zo dat de ene instelling door de andere wordt vervangen. Er komt steeds meer bij', zegt Krans.

Dat leidt ertoe dat de moderne dans klaagt dat voor nieuwe voorstellingen nauwelijks nog podia zijn te vinden. 'Gezelschappen zijn vaak al blij als ze een nieuwe choreografie tien keer kunnen spelen', zegt Krans. Overigens zijn er in de loop van de afgelopen jaren wel degelijk veel nieuwe podia bijgekomen, vertelt Krans. Naast reguliere theatervoorzieningen zijn dat festivals als Oerol.

Volgens Jaap Jong van de Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen (VNT) heeft de groei van het aantal premieres ook te maken met de toename van het aantal afgestudeerden in het kunstvakonderwijs. 'Niemand vraagt zich af of het publiek daarop zit te wachten.'

Volgens de VNT is de afgelopen twintig jaar het bezoek aan theater en dans ruim verdubbeld, naar 1,4 miljoen bezoekers in 2001 (de laatst beschikbare telling van de VNT).

Die groei wordt deels veroorzaakt door de toename van het bezoek aan cabaret, musical en toneel in de vrije sector. Of het bezoek aan gesubsidieerde voorstellingen een vergelijkbare ontwikkeling heeft doorgemaakt, is niet bekend.

Wel signaleert De Jong een groot probleem aan de 'afnamekant' van kunst. De positie van de schouwburgen is sterk gewijzigd. Van cultuurdragers zijn het ondernemende instellingen geworden, die winst moeten maken van de gemeenten die voor de exploitatie verantwoordelijk zijn.

'Dat leidt er toe dat er veilig wordt geprogrammeerd', volgens Jong. Dat betekent veel cabaret en musical. Terwijl voor het gesubsidieerde toneel, dat doorgaans toch meer het experiment zoekt en minder geïnteresseerd is in de publieksvriendelijkheid, juist minder plaats wordt ingeruimd.

Jong vindt het te vroeg om de stormbal te hijsen, maar het huidige onderwijs- en subsidiesysteem doet iedereen in de kunstsector 'wel snakken naar verandering', aldus Jong.

Meer over