Steeds geheel de uwe

Het blijft een raadsel. In oktober 1920 publiceert J.C. Bloem, die pas het jaar daarop zou debuteren met Het verlangen, in De Gids een bespreking van de bundel Goden en Grenzen....

KEES FENS

Daar staat natuurlijk een wat overdreven lof voor twee gedichten uit de bundel tegenover - wie het grootste heeft vernietigd, prijst het kleinste bovenmate, een in de kritiek altijd mislukkende, want doorzichtige poging tot evenwicht. Verwey was woedend; ik denk dat hij, de zoon van een timmerman of meubelmaker, door dat 'getimmerten' nog het meest gekwetst zal zijn. ('Die Verwey was wel een ontembare timmerman', zal A. Roland Holst, die Verwey in zijn laatste levensjaar herlas, opmerken.)

Het raadsel is de felheid van de kritiek. In 1919 was Verwey's tijdschrift De Beweging opgehouden te bestaan. Bloem had in dat tijdschrift in 1910 gedebuteerd met twee gedichten. Eerdere inzendingen - de eerste in 1905; Bloem was toen 18 - waren door Verwey geweigerd. Bloem zal tussen 1910 en 1915 eenentwintig gedichten en vijf artikelen in De Beweging publiceren. Het lijkt weinig, maar hij was een zuinige dichter.

Het oordeel van Verwey werd voor hem bijna absoluut: wat Verwey weigerde, zou hij later nooit bundelen. Groot gezag kenden bijna alle toenmalige jongere dichtrs aan Verwey toe. In twee tijdschriften heeft hij de richting van de moderne Nederlandse poëzie bepaald: als mederedacteur van De Nieuwe Gids en als 'hoofdredacteur' van De Beweging, dat in veel opzichten, zeker in de poëzie, een herbezinning op Tachtig was.

Bloem, die niet bepaald een geboren dweper was, heeft zich met voor hem ongewoon grote gevoelens aan De Beweging gehecht en hij, de eenling, voelde zich met sommige dichters die in het tijdschrift publiceerden, verbonden als geestgenoten. Zijn prijzende oordelen over het tijdschrift heeft hij vele keren neergeschreven; Verwey heeft hij altijd met eerbied herdacht - al is er na de recensie van 1920 nauwelijks nog contact geweest tussen de leermeester en de leerling.

Van de gehechtheid, de nederigheid bijna, de bewondering, de afhankelijkheid haast van Bloem tegenover Verwey in de jaren van zijn beginnend dichterschap, die ook de jaren van zijn eindeloze studie zijn, krijgt men een heel mooi beeld in de nu gepubliceerde brieven van Bloem aan Verwey. De eerste is van 1907, de wat onhandige brief van een scholier die een gedicht aanbiedt; de laatste uit 1918. Bloem belooft een bespreking, maar die heeft hij nooit geschreven. En hij bedankt Verwey voor diens reactie op een ingezonden gedicht; Verwey had het afgewezen.

De meeste brieven begeleiden ingezonden werk of zijn een reactie op Verwey's oordeel. Verwey moet zich haast onwennig hebben gevoeld, bij zoveel bewondering van een jonge dichter. Hij vindt Verwey's poëzie groot, na enige tijd vraagt hij hem om een portret - Verwey stuurt het, dus hij zal zich niet onwennig hebben gevoeld - en hij bezoekt de dichter een aantal keren, een pelgrimsreis naar Noordwijk.

In zijn woedende reactie op Bloems kritiek (in een brief aan P.N. van Eyck) vraagt Verwey zich af: waar ligt Bloems criterium? Hij geeft zelf het antwoord: 'Waar anders dan in de gewaarwordingen van zijn slappe zenuwen en zijn voor inspanning bange geest.' Dat is niet gering. Bloems brieven moeten bij hem mede die visie op hem hebben gevormd. Verwey kreeg dan ook vaak verzoeken om uitstel van toegezegd werk en soms werd uitstel afstel. Bloems strijd met de tijd is uit vele bronnen bekend. Voor zijn traagheid liepen alle klokken te vlug.

Ook van zijn vorderingen, gebrek aan vorderingen vooral, in de studie rechten wordt Verwey door Bloem nauwkeurig op de hoogte gehouden. Verwey's brieven zijn niet bewaard gebleven, maar uit Bloems reacties moet men concluderen dat Verwey, toch bijna als een vader aangesproken, door de kleine klaagzangen van zijn discipel ('Ik zit voor de geheele vacantie in Utrecht, om eind October een examen te doen, waarvoor ik zoo goed als zeker zal zakken.') nooit geïrriteerd is geraakt.

Maar hij had een weinig verheven beeld - de reactie op de kritiek bewijst het. Hij moet zinnen als deze uit een brief van 4 november 1914 in gedachten hebben gehouden: 'Bijgaand stukje had ik eigenlijk al lang willen schrijven, maar ik kom er altijd moeilijk toe, een schrijfplan ten uitvoer te brengen.' Een halfjaar later: 'Ik ben werkelijk enigszins aan het werk geraakt, al is het nog lang niet zoo als het wezen moest, maar zoover zal ik zal ik het wel nooit brengen.' Misschien is een zin uit een brief uit maart 1912 wel de mooiste: 'De briefkaart, die ik u schreef, en die u niet ontving, bleek bij mijn thuiskomst (bij zijn ouders, KF) nog in de zak van de mantel van de meid te zitten.' De beroemde regel van Van De Woestijne moet Bloem een schok van herkenning hebben gegeven: 'In het huis mijns vaders waar de dagen trager waren.'

Dit is het mooiste: Bloem was al vroeg die hij zou blijven: hij leefde te langzaam voor een evolutie. Literair-historisch is een aantal brieven hierom van belang: we kunnen er het beroemde, in De Beweging gevoerde, debat over retoriek in zien ontstaan. Al meteen is zijn standpunt door Bloem bewonderenswaardig helder geformuleerd. En dan geven de brieven een mooie bevestiging van het bekende beeld: het monument van respect en gezag dat Verwey was.

J.C. Bloem - De brieven aan Albert Verwey werd bezorgd door Bart Slijper, die een biografie van Bloem voorbereidt. De inleiding, het nawoord en de aantekeningen zijn bewonderenswaardig om hun nauwkeurigheid; de kwaliteit ervan is mede bepaald door angst voor misverstanden. Zo krijgen wij te lezen, dat 'm.h.d.' 'met hartelijke dank' betekent. Umbra in Maarssen gaf het boek op schitterende wijze uit (¿ 49,50).

Meer over