'Stedelijk kan werk van Malevitsj niet claimen'

Het eigendomsrecht van het Stedelijk Museum op de collectie-Malevitsj berust op drijfzand. Dat zegt de Nijmeegse hoogleraar mr. H. Schonis, die als advocaat gespecialiseerd is in 'oorlogskunst'....

Schonis denkt dat de akte eenvoudig is aan te vechten. Dat meent ook de Duitse kunsthistoricus Clemens Toussaint, die de belangen behartigt van de erven-Malevitsj.

Toussaint noemt het document waarop de rechtmatigheid van de aankoop van het Stedelijk Museum is gebaseerd 'een truc'. 'Het was gemaakt om de bewaarder Hugo Häring het gevoel te geven dat hij geld mocht aannemen van Amsterdam, en om Amsterdam het idee te geven dat er een wettige grond voor de aankoop bestond.'

De bewuste akte, die het karakter heeft van een 'juridisch advies', is in 1956 opgesteld door een Duitse notaris, Ernst Böhme, tevens zwager van Hugo Häring. Häring had in 1927 een collectie van 36 schilderijen, 15 tekeningen en 17 theoretische kaarten van Malevitsj in beheer gekregen, toen Malevitsj naar Moskou was teruggeroepen. Häring hoorde nooit meer iets van de kunstenaar, noch van diens nazaten.

Tientallen jaren hield Häring vol dat hij niet de eigenaar van de collectie Malevitsj was, maar slechts bewaarder, en als zodanig niet gerechtigd de kunstwerken te verkopen. Maar in 1956, toen hij oud en ziek was, veranderde hij van gedachten. Zijn zwager Ernst Böhme stelde een juridisch advies op, waarin hij Häring tot wettige eigenaar van de collectie bestempelde. Hierna kon Häring overgaan tot verkoop van z'n verzameling aan het Stedelijk. Häring overleed in 1958.

De akte van Böhme, die te vinden is in het archief van het Stedelijk Museum en in Duitsland, zal cruciaal worden in de komende onderhandelingen tussen de erfgenamen van Malevitsj en het Stedelijk Museum. Uit archiefmateriaal dat De Volkskrant inzag, blijkt dat al bij de aankoop de betrokkenen aan de rechtsgeldigheid van de transactie twijfelden.

Notaris Böhme baseerde zijn juridisch advies op een onder ede afgelegde verklaring van Häring en diens net aangestelde secretaresse. Hierin zegt Häring dat Malevitsj hem zijn werk naliet als hij zou overlijden. Opmerkelijk is dat Häring jarenlang met geen woord repte over een afspraak met Malevitsj. Integendeel, hij verklaarde altijd géén eigenaar te zijn. Volgens Toussaint weigerde Härings oude secretaresse om die reden een ondersteunende verklaring af te leggen.

Toussaint beschikt naar zijn zeggen over het origineel van Härings onder ede afgelegde verklaring. De getypte tekst luidt: 'Malevitsj werd teruggeroepen naar de Sovjet-Unie. Hij kon zijn werk niet meenemen omdat het niet erkend werd. Om het werk te redden liet hij het in mijn beheer achter.' In het handschrift van notaris Böhme is de zin toegevoegd: 'Als ik niets meer van hem (Malevitsj) zou horen, dan zou de collectie aan mij moeten worden overgedragen.'

De Nederlandse jurist Schonis vindt het begrijpelijk dat het juridisch advies van Böhme in de jaren vijftig als rechtsgeldig werd geaccepteerd. 'Er bestond immers geen contact met Rusland en men leefde in volledige onwetendheid van het bestaan van erven. Maar met de ogen van nu is deze akte zeker niet rechtsgeldig.'

Meer over