Staat het me aan?

'Voor een gedicht heb je tijd nodig. Tussen zeg 18.14 en 18.15 uur lees je en oordeel je. Een schilderij bekijk je in een fractie van een seconde.' Gastconservator Gerrit Komrij richtte in het Amsterdamse Stedelijk Museum een expositie in....

ARJAN PETERS

Op maandag 10 juni, vier dagen voor de opening, loopt Gerrit Komrij (1944) de elf zalen door die hij heeft ingericht. De meeste schilderijen staan nog tegen de wanden, wachtend op ophanging. In de grootste zaal met prima-donna's wijst Komrij op een gigantisch portret, voorstellend Mevr. Theo Mann-Bouwmeester: 'Toevallig hoorde ik gisteren van Harry Prick dat zij hartstochtelijk verliefd was op Breitner toen hij dit maakte. Heb ik dus gelijk met mijn catalogustekst, over de blik van de opgetutte matrone die zich blootgeeft met al haar kleren aan, in de erotische nabijheid van de schilder.'

Aan de overkant hangt de Comtesse de Noailles, geschilderd door Kees van Dongen: 'Dat bleek de loco-burgemeester op zijn kamer te hebben hangen. Ik vond dat het hier paste. 't Is diep-treurig, maar dan moet het weggehaald bij zo'n politicus. Gratis een schilderij uit het museum op je kantoor wil ik óók wel. Ik heb veel ontzag voor het gezag, maar kunst moet daar vandaan gehaald worden. Beseffen ze ook weer eens dat het niet allemaal van hùn is. Als wij in het ziekenhuis komen te liggen, hebben we het met BKR-werkjes te doen. Rangen en standen moeten er zijn - behalve als er zo'n expositie is.'

Een forse werkman komt op hem af: 'Mogen we al hangen? We moeten wel vrijdag open.' Komrij inspecteert de volgorde en geeft zijn toestemming. Twee fotografen vragen hem te poseren, vormgever Wigger Bierman neemt nog één keer de drukproeven van de catalogus met hem door. Ook moet een stapel uitnodigingen de deur uit, en de lijst met eetgasten opgesteld. Komrij: 'Weet je wat? Ik nodig alleen de mensen uit die mij ook wel eens te eten hebben gevraagd. Hou ik er maar twintig over.'

De expositie heet Kijken is bekeken worden. De inrichter: 'Sommige schilderijen die van zichzelf mooi zijn, heb ik ongenadig teruggestopt in de kelders omdat ze niet in het verhaal pasten dat per zaal wordt verteld: zelfportretten, geklede dames, ontklede, of een afdeling met bloemstukjes en wat ik vertederd 'mijn zigeunerkindjes' noem. De Mandolinespeelster van Camille Corot, de Straatveegster in Antwerpen van Arthur Briët. Het gaat me niet om zigeunerkindjesschilderkunst, die is afschuwelijk. Ik wil laten zien hoe je bloempjes en zigeunertjes óók kunt schilderen. Per slot van rekening heeft Vermeer een melkmeisje geschilderd. En wat moet een mens nou met een mèllek-meisje, hè? Maar door Vermeer geschilderd is er niks mis met melkmeisjes. Het gaat om techniek, om stijl. Zo heb ik van James Ensor zijn Stilleven met bloemen en maskers' gekozen dat je hier bijna nooit te zien krijgt.

'Andere schilderijen die eigenlijk minder sterk zijn, konden er als illustratie in tweede instantie toch bij. Dat soort dingen zie je pas als je alles hier bij elkaar ziet. Ik heb een paar schilderijen in mijn hoofd die ik 'het vagevuur' noem - d'r in of d'r uit - en uit dat vagevuur heb ik een enkel doek gehaald omdat het zo mooi hangt.

'Het aardige van dit project was dat ik helemaal niet wist wat er zou gebeuren toen ik de depots in ging. Het sleutelmoment was de ontdekking dat het Stedelijk Museum zoveel prachtige zelfportretjes bezit. Van daaruit voegden andere stukken zich erbij: een schilder die een andere schilder heeft geportretteerd, een museumbezoek, een atelierbezoek. Maar ik ben geen theoreticus. Het gepraat over thema's is altijd achteraf-gelul. Blijkbaar interesseren die dingen me, maar niet op theoretische gronden.

'Ik vind het boeiend wat een dichter zegt over het dichten, en ook wat een schilder zegt over zijn métier. Hoe kijkt iemand naar zichzelf? Dat zegt veel over hoe iemand naar anderen kijkt, en hoe wij moeten kijken van hem. Maar je moet de leesbaarheid van een gedicht, of het picturale element van een schilderij voorop houden. Eerst komt de kwaliteit.

'Over het samenstellen van poëzie-bloemlezingen deed ik langer. Voor een gedicht heb je tijd nodig. Tussen zeg 18.14 en 18.15 uur lees je en oordeel je. Een schilderij bekijk je in een fractie van een seconde. Een hele wand ineens zelfs - in die depots hangen ze ongegroepeerd, niet-chronologisch, anoniem aan wanden - en dan zie je meteen of iets je bevalt of niet. Dus reken maar uit: 't ging om vijfduizend schilderijen. Een paar dagen kostte het me. Het museum bezit ook een aanmerkelijk grotere collectie prenten en grafiek. Die heb ik terzijde gelaten. Schilderijen zijn dramatischer en theatraler.

'Omdat ik niet wist van wie het werk was dat ik uitzocht, heb ik ook geen rangorde kunnen aanbrengen zoals dat bij de poëzie-bloemlezingen mogelijk was: van haar twee, en van hem zeven. Bovendien kon ik nu niet anders dan instinctief te werk gaan, want ik ben geen kunsthistoricus, geen kenner, ik ben helemaal niks op dat gebied. Ik kies schilderijen uit die ik gewoon mooi vind. In de kunstwereld is het natuurlijk een crime om dat te zeggen, en ik weet ook wel dat er haken en ogen aan het woord 'mooi' zitten, dat hoeven ze mij niet te vertellen, maar ik had geen andere argumenten nodig dan: staat het me aan? In die kelders zag ik dertig, veertig schilderijen van Melle. Ik weet nog dat je over de hoofden kon lopen toen ze die hier in de jaren zeventig exposeerden. Achteraf denk je: wat zag ik daar in godsnaam in? Al die - nou ja, je kent het wel - die opzichtige lullen. Fanatiek gedaan, maar 't is nu slap geworden. De tijd heeft het krachteloos gemaakt. Breitner en Sluijters zijn door de tijd heen gesleept. Die heb ik er uitgehaald.

'De allereerste keer dat ik Rudi Fuchs ontmoette heeft hij me hiervoor gevraagd. Waarom, dat moet je aan hèm vragen. Ik heb wel eens wat geschreven over beeldende kunst. Redelijkerwijs kon Fuchs veronderstellen dat ik iemand ben die, hoewel literator helaas, toch geïnteresseerd is in beeldende kunst. 't Klinkt gek, maar de meeste literatoren zijn dat helemaal niet, die weten daar niks van.

'In mijn lezing in de reeks De Brandende Kwestie, ''De taal van de kunstkritiek'' (uit 1982, opgenomen in Dit helse moeras) sprak ik me kritisch uit over pratende museumdirecteuren en zwatelende critici. Maar ik kan hier midden in het Stedelijk geen statement maken óver het Stedelijk. Ik had me te beperken tot de inhoud van hun eigen kelders, de dingen uit hun bezit die nooit te zien zijn geweest. Of hoogst zelden, bijvoorbeeld in een of ander thematisch verband als er ergens in Nederland een tentoonstelling is gehouden over 'Het paard in de kunst' of 'Dordrecht in de kunst', dan werd zo'n doek wel eens uitgeleend.

'Als je een statement wilt hebben, moet je Rudi Fuchs twintig miljoen geven, mij twintig miljoen, allebei een onkostenvergoeding, ons elk afzonderlijk een jaar over de wereld laten reizen en dan bij terugkomst kijken wat we hebben gekocht in de ateliers van de schilders. Dan kun je een vergelijking trekken.'

In de catalogus echoot Komrij zijn beruchte Brandende Kwestie na, daar waar hij opmerkt dat 95 procent van wat er over kunst wordt geschreven, onzin is. Komrij: 'Als je het gaat lezen blijkt dat. Maar wie leest het, behalve de betrokkenen zelf? Ik volg het niet zo meer. Toen ik het veertien jaar geleden eens een keer heb gedaan, ben ik erg geschrokken. Kunstcritici of -theoretici willen een kunstwerk altijd verbeteren of nadoen, maar ze moeten het met woorden doen, en het zijn geen schrijvers. En kunstenaars zèlf die over kunst beginnen, kun je beter meteen de mond snoeren door hun lippen dicht te schroeien met was.

'Toen ik die toelichtende teksten maakte, heb ik gemerkt hoe moeilijk dat is. Ik vind iets mooi en wil dat eigenlijk niet uitleggen, omdat het een woordloze communicatie hoort te zijn. Woorden zijn ontoereikend om schilderkunst te beschrijven. Je gaat ook niet al schilderend een roman bespreken. Maar een kunstcriticus zegt niet: ''Zet maar een plaatje in de krant, met daarbij: Heden te bezichtigen.'' Dus moet je enorm oppassen dat je niet in New Age-achtige, mystieke bespiegelingen en Heideggeriaanse dialectiek vervalt. Je moet proberen eenvoudige woorden te gebruiken. Ik heb er een verschrikkelijke hekel aan als iemand van twee schilderijen of gebouwen zegt dat ze ''een dialoog met elkaar aangaan''. Ze vertèllen iets over elkaar. Zeg dàt dan. Ze zijn elk op zich bijzonder, en samen zijn ze nog bijzonderder.'

Door de Zingende zaag met twee straatmuzikanten van Johan van Hell in de buurt te hangen van een Herman Gordijn waarop Frank Govers en vriend Uwe staan afgebeeld, maakt Komrij van het eerste paar ook een homoseksueel stel. Misschien heeft Van Hell die dialoog helemaal niet willen aangaan.

Komrij: 'Ja, het is nu moeilljk om aan mijn interpretatie te ontkomen. Die blijft bestaan totdat iemand met een sterkere komt, die er als een palimpsest overheen gaat. De politie-agent op de achtergrond die op het muzikantenduo afstapt, komt waarschijnlijk gewoon vragen om hun muziekvergunning. Door de context die ik heb aangebracht, krijgt die agent een andersoortige dreiging. 't Is een grapje. Dat mag toch?

'Mensen moeten niet te pronkerig en zwetserig over kunst doen. Het maakt de kunstcriticus interessanter als hij doet of hij ergens verstand van heeft. Niemand heeft verstand van die dingen. Wij zijn allemaal het zelfportret van God. Daarom zien we er ook zo beroerd uit. We kunnen iets zeggen over het proces, over het tot stand komen van iets. Maar over een uiteindelijk geslaagd kunstwerk kan je niet veel zeggen.'

Dus hij is niet benieuwd naar wat de kunstcritici over deze tentoonstelling gaan schrijven?

'Me hoela.'

En Paul Groot dan, die gebelgd een aantal verontwaardigde reacties op De Brandende Kwestie verzamelde in een aflevering van het Museumjournaal uit 1983?

'Ik weet niet eens of die man nog lééft. Geen idee hoe de barometer in de kunstgeschiedenis staat op dit moment. Iets zomaar doen zal wel niet mogen. Dat is mijn privilege. Dit is de geheime droom van elke conservator in het Stedelijk. Het hele personeel is opgetogen. Mensen die hier al twintig jaar werken wisten niet dat ze zoveel prachtigs in hun huis hadden. Een museum dat honderd jaar bestaat, is een familiehuis. Als grootvader sterft gaat het bezit naar de zolder en dan wordt dat van overgootvader verder naar achteren geschoven. Zo gaat dat generaties door, totdat niemand meer weet wat er helemaal achteraan staat. En dan is het aardig om een buitenstaander op zijn modderschoenen die hele zaak overhoop te laten halen.'

Komrij schrijft: 'Gevraagd: een tuchtiging tot kijken', en: 'Er is meer beeldkennis nodig.' Daar hangt hij toch een beetje de museum-educator uit, aan welke soort hij zo'n hekel heeft.

'Maar 't is niet mijn beroep! Het enige alternatief zou zijn een boek samen te stellen met louter reprodukties, en dat noemen Bekijkt u het maar. Da's ook weer niet leuk.

'We maken ons druk als mensen niet kunnen spellen of lezen, niet om mensen die slecht kijken. Er is een visuele training mogelijk, een soort consensus: hier houdt de rotzooi op, daar begint de kunst. Pas als je mensen ermee confronteert, kom je er achter hoe slecht velen kijken. Ik wil heel eenvoudig met een geinige tentoonstelling iets van mijn kijkplezier overdragen aan aardige mensen. Kunst is er niet alleen voor kunstluizen of het falderappes, kunst is er voor het héle volk. Maar nu beginnen we wel erg altruïstisch te worden.

'Het is een bescheiden bijdrage, een rimpeling, een ribbeltje, aan het beter kijken naar kunst, óók om daarna de humbug in veel moderne kunst te onderscheiden. Honi soit qui mal y pense. Ik stel me niet agressief op, niet objectief en al helemaal niet kunstzinnig correct. Stel je voor.

'Als kind en scholier keek ik zelf ook slecht. Zat altijd met mijn neus in de boeken. Als ik langs een weg reed, las ik alle borden. Ook in de natuur: 'Uitspanning' en 'IJs tien cent' was het enige dat ik daar zag. Als het geen tekst was, bestond het niet. Het begon te veranderen toen ik op mijn twintigste Charles (Hofman, zijn vriend) ontmoette. Hij komt uit een schildersfamilie en is visueel ingesteld. In de omgang merk je dat iemand iets ziet dat jij niet ziet: in de kunst, de mode, de natuur. Dan word je het je bewust. De eerste vijf jaar van ons huwelijk heb ik veel van hem geleerd. Toen kon ik op eigen benen staan.

'Een mens kan toe zonder woorden. Dat was een schokkende ontdekking. Nu weet ik sinds lang dat er helemaal bovenaan een harmonie bestaat; de muziek der sferen. Daaronder komt een hele grote visuele taal die zich aan de wereld voordoet; de beelden. En ergens diep beneden komt de gebrekkige mens aansukkelen met wat dan het woord heet. De literatuur is een heroïsche wanhoopspoging, in grommende woorden. Zij heeft een andere grandeur dan de wereld van de muziek en de plaatjes: die van de machteloosheid.'

Kijken is bekeken worden. De keuze van Gerrit Komrij uit de kelders van het Stedelijk Museum Amsterdam. Van 15 juni tot en met 25 augustus.

Catalogus Stedelijk Museum Amsterdam/De Arbeiderspers, ¿ 40,-.

Meer over