keulemansuit quarantaine

Springen er echt steeds meer nieuwe virussen op ons over, of zien we het gewoon vaker?

.maarten keulemans quarantaine Beeld .
.maarten keulemans quarantaineBeeld .
Maarten Keulemans

Goeie vraag van lezer Mireille Sneekes uit Haarlem: virologen roepen nu wel dat er steeds meer nieuwe virussen komen, maar is dat wel zo? ‘Volgens mijn moeder, geboren in 1955, zijn virussen al heel lang een groot risico.’ Volgens mij, geboren in 1968, heeft ze gelijk.

Sneekes’ vraag kwam nadat ik dertig infectieziektespecialisten had gevraagd met welke nieuwe virussen we na corona nog meer rekening hebben te houden. Dat resulteerde in een bont overzicht van ziekten, met namen die klinken als spreuken uit een toverboek: chikungunya, nipah, hendra, sosugo, mayaro. Door de ontginning van natuur en de intensieve landbouw springen die steeds vaker over op de mens, zo luidt het verhaal, en door wereldhandel en reizigers verspreiden ze zich bovendien sneller.

Aan de andere kant: vroeger lééfden we in de natuur. En zoals de Spaanse griep (1918), de Siberische griep (1957) en de Hongkonggriep (1968) bewijzen, sprongen er ook toen met enige regelmaat virussen over de mens. Áls we er al weet van hebben. Mijn lievelingspandemie (ja, een mens krijgt merkwaardige liefhebberijen, tijdens zo’n lockdown) was die van 1890. Een vergeten pandemie met miljoenen doden. En toch weet niemand wat haar precies veroorzaakte.

Vervelend grafiekje

Ruim tien jaar geleden probeerden Britse en Amerikaanse wetenschappers greep op de vraag te krijgen, aan de hand van een database met 335 nieuw bij de mens opgedoken ziekten. (Nog meer enge namen! Puula, machupo, orungo, oropouche!) Dat leverde een vervelend grafiekje op: het aantal nieuwe virussen dat overspringt op de mens is sinds de jaren veertig verdubbeld. Een keer of vier per jaar is het raak. Dat we daar niet meer van horen, komt vooral doordat de meeste uitbraken weer doven, omdat de ziektekiem in kwestie zich niet goed van mens op mens verspreidt.

Maar wie weet gebeurde dat vroeger ook en is het verschil dat we de virussen nu wél kunnen opsporen en vroeger niet. ‘De virologische data waarop dit soort analyses zijn gebaseerd, zijn incompleet, vertekend, en onderworpen aan snelle verandering door de voortdurende ontdekkingen van virussen’, foeterden andere, Australische onderzoekers vorig jaar, in vakblad Plos Biology. Bedankt, wetenschap: zijn we nog geen steek verder.

‘Dit is inderdaad moeilijk te kwantificeren’, beaamt aan de telefoon ook viroloog Marion Koopmans, net terug van een bijeenkomst bij de WHO om te praten over preventie van toekomstige pandemieën. ‘Ik denk dat er vooral een toename is van de káns dat het misgaat. Doordat wat gezien wordt als de motoren hierachter – zoals bevolkingsdichtheid en reisgedrag – allemaal de kant opgaan die risicoverhogend is als er infecties optreden.’

Nieuwe ziektekiemen

Inderdaad zit er, verstopt in de cijfers uit 2008, daarvoor een intrigerende aanwijzing. Nieuwe infecties blijken verband te houden met zowel de dichtheid aan inwoners als de hoeveelheid diersoorten ter plaatse: hoe meer mensen op een kluitje, des te vaker er nieuwe ziektekiemen opduiken. Kenners zien wat dat betreft hiv als ‘het startsein van een nieuw tijdperk’, zegt Koopmans. ‘Als je het optelt, zijn er toch wel heel wat van die gebeurtenissen geweest. Hiv zelf, maar ook ebola, mers, zika, sars en nu sars-2’, somt ze nog wat toverspreuken op die werkelijkheid werden.

Een soort lichtpuntje is er intussen ook, blijkt als ik een overzicht erbij pak van de ziektelast van infectieziekten. Daar zie je iets zeer opvallends: ondanks al die nieuwe virussen met hun enge namen neemt de last van infectieziekten door de jaren heen vooral áf. Zo halveerde de last van luchtweginfecties, verminderde die van malaria en andere tropenziekten met eenderde en nam het aantal verloren gezonde levensjaren door darminfecties zelfs met driekwart af. Allemaal dankzij voorlichting, schoon drinkwater, hygiëne, vaccinatiecampagnes en betere medicijnen – zo is ook de ziektelast van hiv sinds 2005 gehalveerd.

Dat lijkt me voor ongerust geworden mensen als Sneekes ook een kant van de zaak om voor ogen te houden. Er is weliswaar alle reden om aan te nemen dat de donkere wolk van nieuwe pandemieën tegenwoordig dreigender boven ons hoofd hangt dan in 1955 – het neemt niet weg dat de mensheid als geheel zich in hoog tempo weet te ontworstelen aan de gesel van infectieziekten.

Totdat je een verkouden vleermuis of kuchende civetkat tegen het lijf loopt, natuurlijk, en je een virus oploopt dat zich toevallig wél van mens op mens begint te verspreiden. Dan zijn we toch weer even terug bij af.

Meer over