Splijtzwam onderwijs MIDDELBARE SCHOLEN HONDERD JAAR VOORWERP VAN HERVORMINGEN EN VERNIEUWINGEN

Het voortgezet onderwijs is deze eeuw een aaneenschakeling geweest van hervormingen en vernieuwingen, met als voorlopig sluitstuk de niet onomstreden invoering van het studiehuis....

HAN VAN GESSEL

door Han van Gessel

AAN HET EIND van de vorige eeuw, in 1898 om precies te zijn, wond de pedagoog J.H. Gunning zich verschrikkelijk op over de 'chaotische toestanden' in het middelbaar onderwijs. Thorbecke had dan wel in 1863 een mooie wet voor elkaar gebokst, waarmee hij de hbs aan de natie schonk, maar van enige samenhang in het totale onderwijsbestel was geen sprake, vond hij. Volgens hem kon je dan ook niet van een broodnodige reorganisatie van het onderwijs spreken, 'omdat het bij mij vaststaat dat een organisatie van ons onderwijs niet bestaat'.

Gunning stond met zijn kritiek aan de wieg van enkele vernieuwingsplannen, die in het begin van deze eeuw hun beslag kregen

dankzij het werk van een speciale staatscommissie. Zijn belangrijkste

pijlen richtte hij op het pedagogisch klimaat op de middelbare school, of juister gezegd: het ontbreken daarvan. Hij verweet het middelbaar onderwijs in gespierde termen dat het door zijn eenzijdige

nadruk op intellectualisme totaal geen rekening hield met de psychologie van leerlingen in de puberteit.

Zijn baanbrekend werk vormt de opmaat in de studie Op zoek naar middelbaar onderwijs, waarin de Amsterdamse onderzoekster Saskia Grotenhuis een boeiend historisch overzicht schetst van de ontwikkeling van het middelbaar onderwijs en de verschillende schooltypen daarin tussen 1900 en 1970. Gunning was een van de eersten die in de bres sprongen voor een meer pedagogisch verantwoorde organisatie en inrichting van het onderwijs, schrijft zij.

Grotenhuis laat mooi zien hoe deze eeuw een vrijwel onafgebroken aaneenschakeling is geweest van hervormingen en vernieuwingen van het

voortgezet onderwijs. Met name het succes van de speciaal voor meisjes opgerichte mms, de voorloper van het havo, krijgt ruim aandacht. De invoering van de Mammoetwet in 1968 maakte geen einde aan alle plannenmakerij, maar betekende juist een nieuw begin van een

maatschappelijk onderwijsdebat.

Honderd jaar na Gunning's noodkreet is dit debat een krachtig nieuw leven ingeblazen met de introductie van het studiehuis-concept. In augustus moeten alle havo/vwo-scholen overschakelen op een nieuw onderwijssysteem in de hoogste klassen. Alle leerlingen moeten dan een flink deel van hun schooltijd doorbrengen met het zelfstandig verwerven van kennis in een 'studiehuis'. Leren leren is het sleutelbegrip. Doel is de leerlingen beter toe te rusten voor een latere studie.

Dit nieuwe pedagogisch-didactische geluid zal de Gunningen van tegenwoordig als muziek in de oren klinken, maar er zijn ook sceptici. Uit een recente enquête onder schoolleiders bleek dat ruim 60 procent van de rectores van havo/vwo-scholen vindt dat hun scholieren niet over de benodigde normen en waarden beschikken om zelfstandig in het studiehuis aan de slag te gaan. Leraren die direct

met het studiehuis te maken hebben, denken daar positiever over, maar

velen zijn toch ook van mening dat leerlingen uit sociaal en cultureel zwakkere milieus het moeilijk krijgen.

Het studiehuis is het voorlopige sluitstuk van de ingrijpende reconstructie van het voortgezet onderwijs, die na de oorlog met de invoering van de Mammoetwet op gang werd gebracht en stevige impulsen

kreeg onder het ministerschap van de PvdA'er J. van Kemenade in de jaren zeventig. Twee krachten hebben daarbij steeds om voorrang gestreden: het creëren van gelijke kansen voor leerlingen ongeacht afkomst of milieu, en de vernieuwing van het pedagogisch-didactisch klimaat.

Het gelijke-kansen-ideaal kreeg vooral vorm dankzij het befaamde 'Talentenproject', dat in de jaren zestig onder leiding van de Leidse

onderwijssocioloog F. van Heek werd uitgevoerd en uitmondde in de klassieke publicatie Het verborgen talent (1968). De pedagogisch-didactische vernieuwingen waren vooral gericht op de eigen ontplooiing van leerlingen en werden gevoed vanuit vernieuwingsscholen als Kees Boeke en de Montessori-scholen.

Aan het maatschappelijk debat over het voortgezet onderwijs hebben socialisten, in het parlement én in het onderwijsveld, al die jaren volop meegedaan en daarom is het een goede gedachte geweest van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid, het negentiende jaarboek voor het democratisch socialisme geheel te wijden aan een kritische analyse van dertig jaar

sociaal-democratische onderwijspolitiek.

Om de kwaliteit van het onderwijs is de titel van het jaarboek, dat niet gebukt gaat onder snorkende lofzangen op wat socialistische bewindslieden allemaal hebben bereikt, maar koel en zakelijk bekijkt hoe het ervoor staat met het socialistisch erfgoed op onderwijsgebied. Per slot van rekening heeft onderwijs in de Nederlandse sociaal-democratie sinds de oprichting van de SDAP altijd

een centrale plaats toebedeeld gekregen, zoals de samenstellers van het jaarboek in hun inleiding zeggen.

Dat heeft te maken, zeggen zij, 'met de verwachtingen die in socialistische kring werden en worden gekoesterd ten aanzien van wat onderwijs vermag bij het bestrijden van sociale ongelijkheid'. Onderwijs vervult een sleutelrol bij het creëren van gelijke kansen. 'Opheffen van ongerechtvaardigde verschillen in onderwijsdeelname was

een centraal doel van de sociaal-democratie.'

Jarenlang is het sociaal-democratische onderwijsbeleid beheerst geweest door het structuurdenken, met de middenschool van Van Kemenade als onbetwistbaar hoogtepunt. Dat denken wordt vaarwel gezegd. Wat zich in de school zelf afspeelt, staat nu in het debat centraal. 'Het brandpunt van de onderwijsdiscussie is verlegd naar het pedagogisch regime, het curriculum, onderwijskwaliteit en kwaliteitsmeting, het voorkomen van schooluitval, de positie van de leerkracht.'

De PvdA zal zich in dit debat moeten mengen, vinden de samenstellers van het jaarboek. Daar is alle reden toe. Er is nu dan wel een VVD-minister van Onderwijs aangetreden, Hermans, maar PvdA-bewindslieden als Van Kemenade, Ritzen en Netelenbos hebben ieder op hun eigen wijze jarenlang hun stempel op het recente onderwijsbeleid gedrukt. De spanning die onder socialisten altijd al heeft bestaan tussen het macro-denken over nieuwe onderwijsstructuren

en het micro-denken over de 'verheffing van de arbeider', is er nog steeds.

Zeker nu de individualisering in de samenleving steeds verder voortschrijdt, is het zinnig te kijken welke bijdrage het klassieke sociaal-democratische erfgoed aan het onderwijsdebat kan leveren. Om de geestverwanten alvast een por te geven noemt de redactie van het jaarboek vier thema's die een plaats 'op de onderwijspolitieke agenda' moeten krijgen. Het eerste is de toenemende vervlechting tussen onderwijs en economie. Waar liggen de grenzen van het efficiency-denken in het onderwijs? Wanneer botst het streven leerlingen beter toe te rusten op het streven onderwijsachterstanden op te heffen?

Een tweede thema is de status van het leraarsberoep. De ogen gaan er nu voor open dat mede door een jarenlang volgehouden beleid de sociale status van het leraarschap is uitgehold. 'De belangstelling voor het leraarschap is daardoor tot een onrustbarend niveau gezakt.'

Een verbetering van de salarissen helpt iets, maar er is meer nodig: 'een meer omvattend offensief om nieuw talent tot het leraarschap te brengen en tegelijkertijd aan het zittende docentenkorps nieuwe perspectieven te bieden in loopbaan, kwaliteitsontwikkeling en werkomstandigheden'.

De kwaliteit van het onderwijs is het derde thema. De meting van de kwaliteit van scholen is inmiddels een hot item. De redactie wijst erop dat achter de discussie over kwaliteitsmeting een meer ingrijpende discussie over de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van individuele scholen schuilgaat. 'Wordt de gemeente aangesproken op de kwaliteit van het openbaar onderwijs? Wat gebeurt er als een school slecht presteert en ouders massaal hun kinderen bij andere scholen aanmelden? Wat betreft deze bestuurlijke verantwoordelijkheid

heerst er nog radiostilte, maar lang zal dat niet meer duren.'

Ten vierde zal het debat moeten gaan over de rol en de verantwoordelijkheden van de school. Met gevoel voor zelfkritiek merkt de redactie daarbij op: 'Zeker in sociaal-democratische kring bestaat er een sterke neiging om de school als panacee voor tal van maatschappelijke kwalen te beschouwen. De school wordt niet alleen gezien als belangrijk middel om de sociale cohesie in achterstandswijken te versterken, maar ook om kinderen uit achterstandssituaties op te vangen en hun kennis bij te spijkeren.' De vraag is of de school alles kan en moet doen.

HET JAARBOEK bevat bijdragen die deze thema's al enigszins uitwerken. De meest explosieve bijdrage is van de hand van de onderwijskundige Sarah Blom, die werkzaam is aan het Instituut voor de Lerarenopleiding van de Universiteit van Amsterdam. Zij bekijkt het klassieke socialistische ideaal van het bestrijden van achterstanden (gelijke kansen voor iedereen) tegen de achtergrond van

recente ontwikkelingen in de onderwijspraktijk.

Volgens haar is het gevaar groot dat zich in het voortgezet onderwijs

een steeds verder gaande tweedeling gaat voltrekken tussen havo/vwo-scholen aan de ene en mavo/vbo-scholen (vanaf augustus: vmbo) aan de andere kant. Die tweedeling is nu al zichtbaar, maar zal

steeds scherpere vormen krijgen. Het wordt voor mavo/vbo-leerlingen steeds moeilijker gemaakt over te stappen naar een havo/vwo-opleiding.

'Het is nodig dat er wat gebeurt', waarschuwt Blom. 'De situatie is in bepaalde opzichten ernstig.' Hoe ernstig blijkt wel uit een kleine

noot bij haar verhaal. Sommige basisscholen gaan al de boer op met de

kreet 'opleidingsschool voor havo en vwo' in de hoop zo leerlingen te

trekken. Blom: 'Dan begint het selectiecircus dus al aan de poort, net als in het standenonderwijs van weleer.'

Het gevolg van deze tweedeling is dat er een maatschappelijke kloof komt tussen 'kansrijken' en 'kansarmen'. Die kloof zal steeds wijder worden, doordat volgens Blom leerlingen op mavo/vbo-scholen in een neerwaartse spiraal terechtkomen vanwege het ontbreken van voldoende prikkels. Mavo/vbo-leerlingen blijken zich minder prettig en zelfverzekerd te voelen en vaker negatief gedrag te vertonen. Onder de 'kansarmen' zijn relatief veel allochtonen, waardoor ook nog een versterking van het fenomeen 'zwarte scholen' optreedt.

Dit alles gebeurt, zegt Blom, onder de vlag van vrije schoolkeuze voor ouders en marktwerking onder scholen. Ouders kiezen natuurlijk de meest kansrijke leeromgeving voor hun kinderen en scholen willen natuurlijk zo goed mogelijk voor de dag komen. Maar op die vrijheid valt aardig wat af te dingen, vindt zij. Zwarte scholen hebben er meestal niet zelf voor gekozen 'zwart' te zijn; dat zijn maatschappelijke processen. En voor ouders van kinderen met een vwo-advies aan het eind van de basisschool is de vrijheid van schoolkeuze aanzienlijk groter dan voor ouders van kinderen met een lager advies.

Blom ziet de toekomst somber in. Oplossingen zouden moeten worden gezocht in integratie en gemeenschappelijkheid in het funderend onderwijs (tot en met zestien jaar), maar de ontwikkeling gaat juist de andere kant op. Vanuit onderwijskundig perspectief zijn didactische vernieuwingen gewenst, maar die zijn volgens haar door de

aard van het Nederlandse onderwijs en door de vrijheid van onderwijs nauwelijks te realiseren.

De kwestie is nu: wat gaat de sociaal-democratie doen? Blom stelt alvast een paar vragen. Wil de sociaal-democratie de tweedeling wel die zich voltrekt? Heeft zij genoeg zicht op de gevolgen daarvan bij ongewijzigd beleid? Hoe kan het beroepsonderwijs zo worden ontwikkeld

dat het een meer gelijkwaardige opleidingsstroom wordt naast het algemeen vormend onderwijs? Hoe kan beleid worden ontwikkeld waarbij én politieke onderwijsdoelen worden verwezenlijkt (zoals het bestrijden van achterstanden) én scholen zoveel mogelijk ruimte krijgen om het onderwijs op eigen wijze vorm te geven?

Prikkelende vragen, die niet alleen voor sociaal-democraten van belang zijn. In de Nederlandse verhoudingen zullen weinigen zitten te

wachten op een samenleving waarin kinderen feitelijk op 12-jarige leeftijd (aan het eind van de basisschool) hun kansendiploma krijgen uitgereikt. Want dat is het gevaar dat dreigt: net als vroeger worden

kinderen dan al op 12-jarige leeftijd voorgesorteerd met vergaande consequenties voor hun verdere leven. Zo'n situatie zal bovendien een

grote druk leggen op de laatste twee leerjaren van de basisschool.

In tal van opzichten betekent de dreigende tweedeling in het voortgezet onderwijs dat de hele geschiedenis weer van voren af aan kan beginnen. Er zullen weer plannen worden gemaakt die erop gericht zijn een scherpe selectie aan het eind van de basisschool te voorkomen. Er zullen weer geluiden klinken dat het kindgericht onderwijs in de basisschool ernstig in de knel komt door het vitale belang van de Cito-toets. En er zullen weer allerlei projecten worden

bedacht om iets te doen aan de achterstandssituatie van de kansarme groepen.

VVD-leider Frits Bolkestein schreef zaterdag in zijn column in de Volkskrant dat in het onderwijs 'ideologische ballast moet worden geruimd'. We moeten ervan af onze hoop te vestigen op een 'constructieve onderwijspolitiek' waarbij de overheid een centrale rol speelt, vindt hij. 'De vrijheid van scholen om aan de uniformering te ontsnappen moet worden verruimd. Aan de top down-planning in de vorm van steeds meer eisen en vernieuwingen moet een eind komen.'

Dit is de cruciale kwestie voor de sociaal-democratie. Niemand zal erop aandringen terug te vallen op oude, achterhaalde ideologieën, maar het is wat al te makkelijk de ontwikkelingen in het onderwijs geheel over te laten aan het vrije spel van maatschappelijke krachten. Dan staat bij voorbaat vast wie de winnaars zijn en vooral wie de verliezers. Rechtgeaarde sociaal-democraten kunnen daarbij toch moeilijk werkeloos toekijken. Het jaarboek biedt hun in ieder geval voldoende stof tot weerwerk.

Saskia Grotenhuis: Op zoek naar middelbaar onderwijs - HBS, gymnasium, MMS en lyceum in discussie tussen 1900 en 1970.

Boom; 328 pagina's; * 49,50.

ISBN 90 5352 385 5.

Frans Becker, Wim van Hennekeler, Bart Tromp, Marjet van Zuijlen (redactie): Om de kwaliteit van het onderwijs - Het negentiende jaarboek voor het democratisch socialisme.

Wiardi Beckman Stichting/De Arbeiderspers; 161 pagina's; * 35,-.

ISBN 90 295 2324 7.

Meer over