Spijt en tranen in de rechtszaal

God is niet vaak aanwezig in de rechtszaal. Maar de drie jongens die vandaag voor de kinderrechter moeten verschijnen, kennen hem van nabij:..

Je hebt Rob (16), die later piloot wil worden.

Arthur (15), die ervan droomt sportinstructeur te zijn.

En Wiger (14), die nog geen idee heeft over zijn toekomst, maar dat komt wel goed. Want iedereen is lovend over deze jongen.

Oma: ‘Hij is zo behulpzaam.’

Tante: ‘Hij heeft zo’n zacht karakter.’

De moeder van zijn vriendje Arthur: ‘Wiger is zo’n lieve jongen.’

En de lieve jongen zelf kan door zijn tranen heen nauwelijks meer zeggen dan: ‘Ik heb zo’n spijt dat ik die jongen niet heb geholpen.’

Want Rob, Arthur en Wiger hebben samen met drie anderen vorig jaar een knulletje van dertien van zijn mp3-speler beroofd.

De kinderrechter, die in het dossier snuffelt: ‘Bijzonder, we hebben hier eigenlijk te maken met een kerkelijke bende.’

Rob: ‘Ik ging altijd naar kerk. Elke zondag.’

De kinderrechter: ‘Kon je er wat mee?’

‘Als ik naar God toeging, hielp hij mij vaak. Als ik verdriet had of problemen, dan kon ik naar Hem gaan.’

‘Had je toen je die jongen zo bang maakte niet eerst Gods advies kunnen vragen?’

Rob zwijgt.

Arthur is de bedenker van de overval. Raar, want hij had al een mp3-speler. Die was bovendien mooier, nieuwer en beter. Nog raarder, want hij is opmerkelijk begaan met het lot van zijn medemens. Arthur werkt bijvoorbeeld na schooltijd in een bejaardentehuis. Op school is hij een van de besten en niemand had ooit problemen met hem.

De rechter: ‘Ik heb nog nooit meegemaakt dat zo veel jongens die zo vaak naar de kerk gaan, dit soort dingen doen. Dit vertellen ze niet in de kerk.’

Arthur: ‘Soms wil je ook dingen buiten de kerk doen. Dingen uitproberen. Niet alles hoeft in de kerk. Je hebt ook je school, dat is ook buiten de kerk.’

‘Hoe heeft de kerk gereageerd?’

‘Ze hebben mij positief opgevangen. Ook al ga je naar de kerk, je blijft een mens.’

‘Meestal hebben de mensen die hier zitten niets met de kerk. De kerk leert en predikt wat anders. Ze predikt niet dat je moet beroven, dat je iemands arm moet omdraaien. Begrijp je mijn verbazing. Er zaten die dag wolven in de kudde, niet alleen schapen.’

‘Ik was een van de wolven, nu probeer ik weer schaap te zijn.’

Arthur wil boetedoening doen, zegt hij. De 300 euro die het slachtoffer als smartegeld vraagt, wil hij best betalen. Hij gaat er extra voor werken. En de taakstraf van 104 uur vindt hij geen probleem. ‘Ik wil graag werken.’

Moeder: ‘Vanuit onze kerkelijke achtergrond weet hij hoe schuldig hij is. Hij verdient zijn straf, en wel de beste straf die hij kan krijgen. Die dag is een zwarte dag in de geschiedenis van onze familie.’

Voor Wiger, de jongste van de groep, begon de zwartste dag uit zijn jonge leven pas na zijn aanhouding. Net zoals de anderen ging hij de cel in. Diefstal met geweld is een ernstig feit.

Twee dagen en twee nachten was hij volkomen overstuur. Agenten belden uiteindelijk zijn moeder of zij hem kon komen kalmeren. Hij mocht toen ook mee naar huis.

Ook nu zit hij weer te snikken als hij het verhaal hoort van het slachtoffer. De rechter: ‘Die jongen durft niet meer zo goed alleen over straat en is bang als hij een groepje jongens ziet. Hij was pas dertien.’

Wiger snikt: ‘Ik heb heel veel spijt, heel veel.’

En dan vertelt hij de rechter dat hij onlangs een mp3-speler van zijn moeder heeft gekregen. Een supermooie. Maar hij is hem kwijtgeraakt. Een groepje jongens heeft ’m van hem afgepakt.

(Het vonnis: omdat Wiger alleen de bagagedrager van de jongen heeft vastgehouden, krijgt hij twee dagen jeugddetentie. Dat is gelijk aan het voorarrest, dus hij hoeft niet terug de cel in. Rob krijgt zestig dagen waarvan 28 dagen voorwaardelijk. Ook hij heeft die straf al uitgezeten. Geen van de jongens hoeft het slachtoffer smartegeld te betalen. De claim is te ingewikkeld om door de kinderrechter te kunnen worden behandeld.)

Meer over