Soppietoppie en soppeloentje

Ilja Leonard Pfeijffer is een taalfetisjist. Zijn aandacht voor vorm en experiment, in zijn gedichten en proza, is typisch modernistisch, al debuteerde hij pas in de postmoderne tijd van ironie en vertwijfeling....

In 2002 publiceerde hij zijn eerste prozawerk: de roman Rupert. Daarin was de invloed van T.S. Eliot (The Waste Land) zo duidelijk zichtbaar, dat Pfeijffer prompt werd beschuldigd van plagiaat en er een hevige discussie volgde over de vraag of het geoorloofd is om hele passages te citeren zonder bronvermelding. 'Een literair spel', luidde het luchtige weerwoord van Pfeijffer - ook weer zo'n modernistische term. Een en ander kwam de belangstelling voor zijn werk beslist ten goede.

Het te verwachten relletje om zijn 'plagiaat' heeft Pfeijffer er niet van weerhouden zich in zijn tweede roman wederom nadrukkelijk door schrijvers als Joyce en Eliot te laten inspireren.

Ditmaal vooral in zijn taalgebruik. Ellenlange zinnen (vergelijkbaar met de stream-of-consciousness van Joyce) en ritmische woordspeligheid kenmerken Het grote baggerboek. Neem de volgende passage: 'Het was qua wat betreft de pornografische liefde allemaal soppietoppie, laat dat maar met een gerust hart aan deze leutermans over. (. . .) Een klootzak is geen doedelzak, want een Jan Lul is geen Jan Doedel als je begrijpt wat ik bedoelt. Godverend hoerenjong, zei ze met d'r smikkelende soppeloentje in de hoogte smakkend, ken je godverdekankers niet ruiken dat ik naar je leg te druipen als een wandelteef naar een rugbyteam met loopse negers?' Het zijn zinnen en klanken die - de grove seksuele terminologie daargelaten- niet zouden misstaan in Finnegans Wake. Door de vele dichterlijke technieken (een kwistig gebruik van alliteratie en assonantie) en de neologismen waarmee Pfeijffer zijn werk doorspekt, lijkt dit proza soms muziek geworden. Ware het niet dat woorden ook nog een betekenis hebben.

Hoofdpersoon in Het grote baggerboek is een beroepsbaggeraar, die is gearresteerd op beschuldiging van ontvoering en seksueel misbruik van een minderjarige. Hij is ter observatie opgenomen in een psychiatrische kliniek waar hij behandeld wordt door een 'transaap van een academici', een psychiater die hem vraagt zijn belevenissen op het dok en in zijn standplaatsen (vaak in het buitenland) op te tekenen in een persoonlijk boek. Het grote baggerboek dus.

De grofgebekte en niet al te snuggere man vertelt hoe hij, vanwege een gesaboteerde machine, samen met zijn mannen van 'de Koninklijke' op 'sjorlief' (shore leave) wordt gestuurd. Vol verwachting gaan ze op weg naar de havenstad waar hun, weten ze, niets dan plezier staat te wachten. Vanaf dat moment hebben hun avonturen eigenlijk nog maar onderwerp, dat begint bij 'de hoerensloep' en hun weg naar het bordeel, en verdergaat met beschrijvingen van rondvliegend sperma, geile wijven en druipende kutten. Hoewel de baggeraar zijn Babette - 'Babseflaps' - adoreert, schrijft hij paginalange 'neukporno om aan je repelsteeltje voor te lezen'. Hij laat nauwelijks iets los over zijn vermeende misdaden (behalve als het relevant is voor een volgende hoerentocht-verhaal), dit tot ongenoegen van zijn psychiater.

De belevenissen van de baggeraar worden afgewisseld met die van zijn wetenschappelijke zielzorger. Diens schrijfstijl is aangenaam kaal en zakelijk na al dat hevige gescheld en gekreun. Hij vertelt hoe hij gefascineerd raakt door zijn observant en er uit wetenschappelijk oogpunt alles aan zal doen om de waarheid te achterhalen en een goed rapport te schrijven. Die nobele bedoelingen zijn van korte duur. Want al snel begint ook de psychiater erotische fantasiete beleven, met Babette, de meest 'bruidigste bruid' die hij ooit heeft gezien - en raakt zijn objectieve visie steeds meer op de achtergrond. Zijn vunzige praatjes zijn zelfs nauwelijks nog van die van de baggeraar te onderscheiden.

En dan blijkt dat de betekenis van de woorden niet langer kan worden genegeerd. De veelheid van seksuele beschrijvingen en de goorheid ervan bezorgen je meer dan eens kotsneigingen, en dat leidt af van wat werkelijk belangrijk lijkt.

Zo merk je bijna niet op dat Pfeijffers sympathie bij de baggeraar ligt. De hoofdpersoon is onschuldig, in ieder geval aan het ontvoeren en misbruiken van het kind, en blijkt meer gevoel in zijn donder te hebben dan je eerder dacht. Hij wil zijn liefde en zichzelf opofferen om het vermeende slachtoffer, de kleine Abdullah, een nieuw thuis te geven.

Maar pure eerlijkheid bestaat niet in het proza van Pfeijffer. Geen enkel personage blijkt de werkelijkheid te kunnen overleven. Elk flintertje oprechtheid levert niets dan problemen en onbegrip op. De psychiater wordt ontslagen, en de baggeraar blijkt medeplichtig aan een moord die juist hij had kunnen voorkomen.

Het grote baggerboek barst van het cynisme en de blubber, en beziet de wereld van recht en wet met een illusieloze blik. Het laatste zou een krachtige boodschap kunnen zijn, maar die komt niet over. Pfeijffers dwingende taal, met een overtreffende trap in vrijwel al zijn zinnen, verstoort elke vorm van reflectie. Alles is onecht, overdadig en overgoten met flauwe woordgrapjes en versprekingen van de baggeraar ('Loyale tijd' (loyaliteit) onder de mannen ('. . .dat er geen stront aan het handje is. . .'). De zinnen buitelen over elkaar heen, pikken worden 'zuigstangen' en hoer op hoer wordt neergezet als een gewillige 'baggersleuf'.

Het grote baggerboek getuigt van een daverende daadkracht zonder remmingen. Vermoeiend is het, en ja, soms ook vermakelijk. Maar een spel met louter woorden en een plot met moralistische bedoelingen zijn hier niet verenigbaar. Dit proza is dichterlijk modernisme, vermengd met porno en bagger. Pfeijffer overstemt zijn thematiek met flierenfluitende taal, waardoor hij alleen maar onduidelijkheid schept.

Meer over