Column

Soms moeten financiële moordenaars worden gekoesterd

De Romeinse magistraat Cato de Oude is vooral bekend van de slotzin van al zijn toespraken: 'Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden.'

Peter de Waard
Een Romeinse denarius uit 89 voor Christus, een zilveren munt die de ongekende economische bloeiperiode kenmerkte na de tweede Punische oorlog tegen Carthago in de tweede eeuw voor Christus. Beeld thinkstock
Een Romeinse denarius uit 89 voor Christus, een zilveren munt die de ongekende economische bloeiperiode kenmerkte na de tweede Punische oorlog tegen Carthago in de tweede eeuw voor Christus.Beeld thinkstock

Op een dag werd Cato gevraagd wat de meest winstgevende investering was: 'Veeteelt met veel succes', zei hij. 'En de een-na-meest winstgevende?' 'Veeteelt met matig succes.' 'En daarna?' 'Veeteelt met weinig succes.' En dan: 'Akkerbouw.' 'En wat denkt u van het uitlenen van geld?' 'Wat denkt u van moord?', repliceerde Cato.

Cato de Oude, die twee eeuwen voor Christus leefde, beschreef bankiers als moordenaars, maar verdiende zelf een enorm vermogen met het uitlenen van geld voor akkerbouw en scheepsbouw. Maar om niet bankroet te gaan door de grillen van opper- en dondergod Jupiter, die schepen kon laten vergaan en oogsten vernietigen, stopte hij zijn winsten in de veeteelt.

De Romeinse beschaving was voor een groot deel te danken aan bankierende moordenaars zoals hij. Na de tweede Punische oorlog tegen Carthago in de 2de eeuw voor Christus kende Rome een ongekende economische bloeiperiode. Er werd een nieuwe zilveren munt ingevoerd - de denarius of zilverling - waarvan de circulatie verviervoudigde van 65 naar 250 miljoen in een eeuw tijd.

Maar op grote schaal werden ook kredieten verleend door rijke Romeinen voor de infrastructuur, de landbouw en de handel. Professor dr. Philip Kay van Wolfson College Oxford, die een gedetailleerde berekening maakte van de economische ontwikkeling in het Romeinse rijk, stelde dat dit tot een extra groei van het bbp had geleid van 78 procent.

Bankieren was een lucratieve business in het oude Rome. Cato's achterkleinzoon Brutus, bekend van de samenzwering tegen Caesar, werd steenrijk door tegen een woekerrente van 48 procent geld uit te lenen aan de stad Salamis op Cyprus. Wie niet kon betalen, belandde in de gevangenis.

Na het begin van de jaartelling zouden de monotheïstische godsdiensten (christendom, islam en jodendom) vanwege deze praktijken het in rekening brengen van rente verbieden. Kerkvader Ambrosius van Milaan stelde: 'Als iemand rente neemt verricht hij een geweldige overval en zal hij niet in leven blijven.'

Op het Tweede Lateraans Concilie werd dit vastgelegd. De moordenaars gingen aan de galg, tenzij ze van een ander geloof waren. In de Donkere Middeleeuwen kwam het bankieren daardoor in handen van joodse geldhandelaren die niet aan andere joden, maar wel aan christenen konden lenen.

Dat veranderde pas met de opkomst van de bankiers uit Lombardije en de Medici's uit Florence, die een eigen financiële industrie optuigden, waaraan veel termen (banco rotto = bankroet) herinneren. Dat kostte een aantal Medici's het leven, maar het was tevens het begin van de bloeiperiode van de Renaissance.

Soms moeten financiële moordenaars worden gekoesterd.

Meer over