'Soms denk ik: waarom doe ik dit in godsnaam?'

Pas sinds kort wordt gericht gezocht naar overblijfselen van de vernietigingskampen uit de Tweede Wereldoorlog.

Het geel en blauw van de intercity van Zwolle naar Assen glijdt door de velden bij Hooghalen. Forenzen, studenten en dagjesmensen zitten waar zeventig jaar geleden Joodse families zaten. Hun trein nam hier de afslag richting kamp Westerbork, het Nederlandse tussenstation voor eindbestemmingen Auschwitz, Bergen-Belsen, Theresienstadt of Sobibor. Meer dan 100 duizend opgepakte Joden verlieten het kamp tussen 1942 en 1945 op een van de 93 transporten. Westerbork was het voorportaal van de dood. Slechts 5.000 van hen overleefden de oorlog.

Pas sinds een paar jaar wordt er gegraven naar de geschiedenis van de holocaust. Wereldwijd zijn er slechts tien specialisten op het gebied van holocaust- en genocide-archeologie. De Nederlander Ivar Schute (47) is een van hen. 'We zijn beter in het determineren van objecten uit het Neolithicum dan uit de jaren veertig', zegt hij. 'Best gek, eigenlijk.'

Dat dit archeologische subgenre pas de laatste jaren in zwang is geraakt, heeft waarschijnlijk te maken met de gevoeligheid van het onderwerp. 'Blijkbaar moesten we de mentale ruimte hebben om de grond in te mogen en kunnen', zegt Schute.

Kort na de oorlog werd er wel wat forensisch onderzoek gedaan in de kampen. In de decennia erop gingen vooral schatgravende plunderaars zich er te buiten. Maar op een controversiële - want vrij rigoureus rondspittende - Poolse archeoloog in de jaren negentig na, ging niemand ooit echt de grond in.

Twee jaar terug deed Schute graafonderzoek in Westerbork. Het was hem gevraagd; er waren te veel plunderaars actief op de vuilnisbelt van het kamp. Ook mocht hij graven bij het huis van de voormalige kampcommandant Konrad Gemmeker. Dit jaar maakte Schute deel uit van opgravingsteams op twee van de gruwelijkste plekken uit de geschiedenis: de nazivernietigingskampen Treblinka en Sobibor in Polen.

Onderweg naar Westerbork verlaat Schute vlakbij Hoogeveen plots de snelweg. Hij moet iets laten zien. Halverwege een verlaten bosweg stopt hij. Vastberaden stapt hij de braamstruiken en het herfstgebladerte in. 'Dit is kamp Gijsselte', zegt Schute, alsof hij een geheim verklapt. 'Gijsselte was een van de vele subkampjes van Westerbork, waar op de valreep nog zoveel mogelijk arbeid uit de Joodse mannen werd getrokken.'

Schute wijst naar een eenzame boerderij. 'Die ligt dus midden in het oude kamp, maar dat weet niemand. Iedereen denkt dat het kamp verderop lag. Daar staat een gedenktekentje.' Alsof het de mensen niet interesseert, zegt Schute. Maar hij kon het niet laten om het uit te zoeken.

Op zijn knieën veegt hij bladeren opzij. De mist legt een laagje dauw op zijn jas. Er komen betonnen openingen in de grond te voorschijn: vermoedelijk de toegang tot de latrine. Naast het erf van de boerderij wijst Schute op paaltjes: de afbakening van de kampgrenzen. Een waakhond blaft onafgebroken.

'Er waren zoveel kampen in Nederland, veel meer dan mensen beseffen', zegt de archeoloog. 'Er was er een voor Joodse prominenten, voor Joodse vrienden van Anton Mussert, er waren talloze werkkampen. Al die grond is na de oorlog verkocht en niemand heeft er meer naar omgekeken.'

Toch is het belang van holocaustarcheologie niet onmiddellijk evident. Archeologisch onderzoek betreft meestal perioden waar gesproken of geschreven bronnen volledig ontbreken. De Tweede Wereldoorlog vond zo recent plaats dat er nog steeds ooggetuigen in leven zijn - zowel daders als slachtoffers.

'In grote lijnen is het verhaal misschien bekend', zegt Schute. 'Maar in detail niet. Want uiteindelijk zijn de getuigenissen - gesproken en geschreven - best schaars. De vernietigingskampen hebben weinig overlevenden en steeds meer van hen overlijden.'

En als de levende getuigen verdwijnen, blijven slechts de stille over: de bomen die meekeken, de gaskamer in de grond, de beenderen van de doden, de barakken en de verloren of weggegooide eigendommen.

De bodem vertelt het verhaal, zegt de archeoloog. 'Dat ik dezelfde potjes Betuwe-jam of Maastrichts servies in Westerbork en in Sobibor vind, vertelt mij dat mensen het ongewisse met hoop tegemoet gingen. Anders neem je die voorwerpen niet mee. Je vindt ze tot aan de gaskamer. Zo lang bleven de mensen dus hopen. Terwijl het in Sobibor in 25 minuten was gebeurd.'

Niet dat het alleen om de wetenschap gaat. Voorwerpen brengen het verleden ook tot leven. Schute zag het met eigen ogen. Nabestaanden of overlevenden die volledig van de kaart raakten bij het zien van een brilletje, kam of jarretelpin. 'Soms zit er zelfs een plukje haar in zo'n kammetje. Of je vindt een verweerde schoen met ijzerdraad als veter, waarvan de eigenaar hoogstwaarschijnlijk in het oosten van Polen is vermoord.'

Tegels

Een uiterst lugubere ontdekking deed Schute in het Poolse Treblinka met het Britse team waarmee hij werkte. De gaskamer was waarschijnlijk vermomd als mikwe, een Joods badhuis. Dat concluderen de onderzoekers op basis van stukken van tegels met Davidsterren - exact zoals die in mikwes worden gebruikt. De nazi's gingen ver in het maskeren van hun moordmachinerie.

Verder ontdekte Schute met het Israëlisch-Poolse onderzoeksteam in Sobibor dat de Himmelfahrtstrasse, de weg waarlangs de ontklede gevangenen naar de gaskamer werden gevoerd, de gaskamers tot het einde aan toe aan het zicht onttrok. 'Dat was niet bekend. Er zijn maar enkele overlevenden, en die hebben dit vermoedelijk niet geweten.'

Voor de opgraving in Sobibor begon, was er nagenoeg niets dat nog herinnerde aan het nazivernietigingskamp. Het terrein bestond uit bos, de geschiedenis was volledig overwoekerd. In de laatste fase van de oorlog hebben de Duitsers geprobeerd de drie grote vernietigingskampen Belzec, Treblinka en Sobibor van de aardbodem te laten verdwijnen. Opgeteld werden hier tussen de 1,5 en 1,7 miljoen mensen vermoord. Joodse gevangenen moesten de gebouwen slopen en het puin afvoeren. Ze moesten jonge bomen aanplanten. Er zijn zelfs boerderijtjes aangelegd om een vriendelijke sfeer te creëren.

Nu zoekt het Israëlisch-Poolse team met de hulp van Schute naar het perron van aankomst, de ontvangstruimte, de gaskamers en massagraven, en de barakken van de SS'ers en de Oekraïense krijgsgevangen die als bewakers optraden.

Ook waren er barakken van het Sonderkommando: het team van Joodse gevangenen dat geselecteerd werd op kracht en gedwongen werd mee te werken aan het vernietigingsproces. De mannen van het Sonderkommando werkten achter de gaskamers, bij de brandstapels en graven in kamp 3 - een kamp in een kamp. Na de vergassing brachten ze de levenloze lichamen naar de verbrandingsovens of massagraven.

Er zijn vrijwel geen overlevenden van de Sonderkommando's, ook niet uit andere kampen. Velen die de oorlog overleefden, pleegden zelfmoord. De Griekse Italiaan Schlomo Venezia is eigenlijk de enige overlevende die wel getuigenis deed. Als 'kapper' in Auschwitz moest Venezia het haar van dode vrouwen afknippen. Hij kwam er relatief goed vanaf, vertelde hij. Een vriend die tandarts was, moest de gouden tanden bij de lijken uittrekken. Wanneer de lijkstijfheid was ingetreden, moest hij eerst de kaken openbreken.

Van de groep Joodse gevangen die werden ingezet om net gearriveerde Joden van kleding en bagage te ontdoen en naar de gaskamers te leiden, zijn meer overlevenden overgebleven die hun verhaal na de oorlog hebben gedaan.

In tegenstelling tot Auschwitz bestond Sobibor niet gedeeltelijk uit een werkkamp. Het enige doel was het uitroeien van Joodse gevangenen. De meesten die aankwamen, stierven nog dezelfde dag. Vanuit Westerbork werden ruim 34 duizend Joden op transport naar Sobibor gezet. Welgeteld 18 van hen overleefden de oorlog. Tussen april 1942 en november 1943 werden naar schatting tussen de 170 duizend en 250 duizend mensen in Sobibor vermoord.

Het belang van holocaustarcheologie schuilt volgens Schute buiten het doen van ontdekkingen ook in de monumentenzorg. 'Sobibor of Treblinka zijn niet eens erfgoed', zegt Schute. 'Je zou er bij wijze van spreken een flatgebouw kunnen neerzetten. In Nederland is veel oorlogserfgoed ook vogelvrij, overigens. Kamp Amersfoort is gewoon verstopt onder de A28. Waar de SS-officieren woonden kun je nu een omeletje in een wegrestaurant eten, er is een ingenieursbureau gebouwd en een parkeerterrein aangelegd. Twee massagraven liggen onder een golfbaan - die zijn wel geruimd maar niet al te best. En dat terwijl het een van onze meest gruwelijke historische plekken is. Ik vind dat vreemd.'

Tranen

Je moet er maar tegen bestand zijn: het graven op zulke plekken. De sinistere werkelijkheid van de geschiedenis is nooit ver weg. Zo zat Schute in november nog met een brok in zijn keel en tranen in zijn ogen met de onderkaak van een kindje in zijn handen. 'Mensen werden vergast en verast. Ik loop de hele dag in een zee van geblakerde botten, maar botten zijn - hoewel menselijk - geen menselijke onderdelen die je elke dag ziet. In deze kaak zat een perfect melkgebitje. Dan heb je ineens echt de overblijfselen van een vermoord kind in je handen. Het regende keihard, op dat moment dacht ik wel: waarom doe ik dit in godsnaam?'

In Sobibor razen de goederentreinen nog gewoon over de rails waar tijdens de oorlog de treinen met Joodse gevangengen aankwamen. 'Als ze hun stoomfluit blazen, krimp je ineen. Dat heeft een ijzingwekkende bijgedachte.'

'De ervaring gaat regelmatig door merg en been', zegt Schute. 'De omgeving is bijna lieflijk, midden in het bos. Soms sta je daar met je troffeltje in de gaskamer te graven, terwijl je boven de stemmen hoort van een groep Israëlische jongeren die op een gedenkreis zijn. Ze zingen en bidden en jij houdt je stil, terwijl je zoekt naar stukjes vernietigd mens.'

Schute opent het hek dat om de commandantswoning van Westerbork is geplaatst. De woning is na de oorlog betrokken door een welgestelde Nederlandse familie. De dochter, die enige jaren geleden overleed, was de laatste bewoonster. Het huis ziet er binnen nog net zo uit als vijftig jaar geleden. De archeoloog loopt een rondje om het huis, over het natte gras. Hij stopt op de veranda. 'Kijk: Gemmeker had uitzicht op de vertrekkende transporten. Alleen hebben ze na de oorlog nooit kunnen bewijzen dat hij wist wat er met die mensen gebeurde. Hij heeft maar een paar jaar in de cel gezeten.'

Westerbork bestaat voornamelijk uit park en bos. De barakken zijn begin jaren zeventig afgebroken, nadat gevluchte Molukkers er twintig jaar hadden gewoond. Er werd weinig over het kamp gesproken. De komst van de Molukkers en de naamsverandering naar Schattenberg deed de associatie met het Joodse voor een deel verloren gaan.

Maar de bodem weet beter. Op de vuilnisbelt, een stukje verderop in het bos, vist Schute stukken servies uit de humuslaag van herfstblad, mos en vergaan gras. 'Maastrichts aardewerk - exact zoals ik het in Sobibor heb gevonden.'

Schute is blij met de trend in de archeologie. Voor sommige plekken is het evenwel al te laat. Belzec in Polen - 'nog zo'n menselijk abattoir' - is volgestort met een soort steengruis. Schute: 'Daar zal niemand ooit nog de grond in kunnen. En dat terwijl er nog zo weinig bekend is.' Het kamp telde slechts twee overlevenden, en die leven niet meer.

HALACHA

Holocaustarcheologen hebben te maken met een belangrijke beperking. De joodse wet halacha beschermt de graven van overleden joden tot in de eeuwigheid tegen schennis. 'Dat bemoeilijkt het zoeken', zegt Schute. 'In Sobibor werken we samen met een Poolse rabbijn die meekijkt. We werken op een soort heilige grond en je kunt niet zomaar ergens je schop inzetten. Elke handeling ligt onder een vergrootglas.'

undefined

Meer over