Sommige Nederlandse academici lijken, met hun minachting voor anderen, op Aso

Premier Taro Aso van Japan opende eens een lezing met de woorden: ‘Dames en heren van de lagere klassen’. Die aanspreekvorm kan een vergissing zijn geweest, schrijft columniste Noriko Hama, econoom en hoogleraar aan de Doshisha Universiteit, maar was het waarschijnlijk niet....

Marjolijn Februari

De laatste tijd heb ik een penvriend in Japan die mij om de haverklap grote stapels knipsels uit The Japan Times stuurt en zo weet ik allerlei dingen over Japan die u niet weet. In een greppel in Yokkaichi is een 18de eeuws kunstgebit gevonden. In deze strenge winter zitten 160 tevreden makaken rond een groot kampvuur in het Japanse Apen Centrum in Inuyama. De gemiddelde Japanse werknemer maakt lange dagen, nam vorig jaar slechts 8,3 vakantiedagen op en heeft geen tijd meer voor seks, dus holt het geboortecijfer achteruit; bij Nippon Oil moet je daarom sinds kort toestemming hebben om na zeven uur ’s avonds nog te mogen werken.

De mondialisering maakt dat niet al het nieuws uit Japan zo typisch Japans is als ik wel zou willen. Mijn penvriend stuurt veel knipsels over de positie van vrouwen, omdat het onderwerp hem zelf interesseert of omdat hij denkt dat het mij interesseert, en het belangrijkste artikel dat hij dit keer stuurt, is door The Japan Times overgenomen uit The Washington Post en gaat over India.

Meisjes uit de lagere sociale klassen hebben in India een zwaar leven, zegt het artikel. Ze moeten hard werken en hebben een grotere kans dan hun broers om al als kind te overlijden. Onderwijs krijgen ze wel, maar kort, omdat ouders geen zin hebben de opleiding te betalen van meisjes die later toch trouwen en gaan werken voor de familie van hun man. ‘Niemand wil de tuin van een ander begieten’, zoals het in de volksmond heet. Veena Padia, programmadirecteur in India voor de internationale hulporganisatie CARE, uit haar frustraties. ‘De grondwet zegt, ja, vrouwen zijn gelijk, maar de maatschappij zegt, nee, dat zijn ze niet.’

Ik lees verder. Het is raar hoe zo’n stapel krantenknipsels werkt: alles lijkt al gauw naar elkaar te verwijzen. Als ik het artikel over de ongelijkheid van de Indiase meisjes heb gelezen en opzij heb gelegd, ligt er een knipseltje over Marx bovenop de stapel. Uitgeverij EastPress Co heeft in Japan een ‘manga’ stripversie van Das Kapital uitgebracht, waarvan in de eerste dagen al zesduizend exemplaren zijn verkocht. Zo kunnen de Japanners zich verdiepen in de conclusie van Marx dat mensen voor de wet weliswaar gelijk kunnen zijn, maar in werkelijkheid toch heel verschillend worden behandeld.

Er blijkt verdorie een lijn te zitten in de zending knipsels uit Japan: de lijn van de maatschappelijke ongelijkheid. De ongelijkheid in welvaart, waardoor de rijke Japanners zich in de 18de eeuw wel een houten kunstgebit konden veroorloven en de arme Japanners niet. De ongelijke behandeling van vrouwen, waardoor Indiase meisjes wel constitutionele rechten hebben, maar ze niet kunnen verwezenlijken. De sociale ongelijkheid die blijkt uit de minachting van premier Taro Aso voor de lagere klassen.

Misschien, bedenk ik opeens, hebben ze speciaal voor de premier een stripversie van Das Kapital uitgebracht. Want Aso is een verwoed stripliefhebber en kan verder niet zo goed lezen. Eind vorig jaar ontstond zelfs ophef toen bleek dat hij het kanji, een van de drie Japanse schriften, niet machtig is; het lukte hem niet een speech voor te dragen die zijn ambtenaren voor hem hadden geschreven. De grootste schande is echter niet dat de leider van het land ongeletterd is, schrijft columniste Noriko Hama, erger is het dat hij uit pure arrogantie de mensen beledigt die niet tot zijn eigen kring behoren.

De knipsels nog eens doorbladerend, besluit ik mijn penvriend in Japan in ruil voor zijn zending de Vrij Nederland van deze week toe te sturen. Daarin gegevens over de positie van vrouwen aan Nederlandse universiteiten: het aantal vrouwelijke hoogleraren ligt hier ver onder de Europese norm, het streefgetal voor 2010 ligt onder het Europese streefgetal en zal bovendien niet worden gehaald. Aan opzettelijke tegenwerking lijkt dit niet te liggen, denkt Vrij Nederland. Vrouwen hebben dezelfde mogelijkheden als mannen, ze kunnen die in Nederland alleen niet op dezelfde manier verwezenlijken. ‘Het zijn de onbewuste vooroordelen waardoor vrouwen telkens weer benadeeld worden.’

Als ik dan toch een pakketje stuur naar Japan, denk ik, kan ik er nog wel een paar knipsels bijdoen waaruit blijkt dat die vooroordelen aan de universiteiten niet eens zo onbewust hoeven te zijn. Laat ik vooral een artikel meesturen van de Leidse hoogleraar die de afgelopen maanden in de Volkskrant schreef dat vrouwen helemaal geen carrière moeten beginnen. ‘Vrijwel iedere vrouw wil een gezinnetje stichten. Zo is de vrouw nu eenmaal ‘geprogrammeerd’.’

En laat ik ook het artikel niet vergeten van de directeur van een Natuurhistorisch Museum die schreef dat het gelijkheidsbeginsel vrouwen een stuk minder aantrekkelijk had gemaakt. ‘Alles moet gelijk zijn – een wansmakelijk ideaal dat in de jaren zestig, gesteund door het toen en vogue zijnde socialistische gelijkheidsideaal, aan kracht won: alle kinderen naar de middenschool en alle moeders naar hun werk, gekleed in tuinbroek, met kortgeknipt haar en op platte schoenen.’

Sommige Nederlandse academici lijken met hun onnozele wereldbeeld en hun minachting voor anderen verrassend op Aso. Japanse wetenschappers, lees ik tot slot in een knipsel dat op de grond was gevallen, ontwikkelen technologie waarmee ze de vorm van iemands gedachten kunnen lezen. Dat kan wel eens nuttig worden, als we willen weten wat zulke belangrijke mannen verder nog denken.

Meer over