Soeverein

ANNEMARIE OSTER

In mijn jonge jaren was ik links. Al mijn vrienden, kennissen en minnaars waren het, dus zat er weinig anders op. Dat linkszijn viel niet altijd mee. Voor je het wist viel je door de mand als reactionaire truttebol die haar plaats niet kende. Hoe kon ik omgaan met een lolbroek als Godfried Bomans? (Een van de meest genuanceerde mensen die ik heb gekend, maar niemand van mijn vriendenkring wilde dat geloven.) Onbegrijpelijk dat ik zat te gapen bij pracht-avantgardetoneel van Arrabal, Genet en Harry Mulisch. En hoe durfde ik uit te spreken dat ik de muziek van Louis Andriessen c.s. als weinig toegankelijk ervoer, sterker, niet om aan te horen vond? Een meewarig hoofdschudden was mijn deel: 'Jammer Annemarie (vaak als mensen je een kopje kleiner willen maken, noemen ze nadrukkelijk je naam), maar daar heb jij nu eenmaal geen antenne voor.'

Ik hield van Chopin. En van het 'worstenhuis', zoals mijn toenmalige levensgezel de Oranjes steevast noemde. Net als iedereen om me heen keek hij neer op de koninklijke familie. Zelfs mijn moeder, doorgaans in niets anders geïnteresseerd dan in toneel en zichzelf erop, was republikein. Zeker wat betreft Prins Bernhard. Toen puntje wel erg onverkwikkelijk bij paaltje kwam (de Lockheedaffaire), riep ze: 'Wat een verachtelijk sujet!' En ter verklaring: 'Ik ben opgegroeid met Multatuli!' Nog hoor ik haar plechtige toon, zie die standvastig geheven kin, als stond ze dagelijks op de barricaden.

Met Juliana had ze meer clementie. Kwam de 'oude koningin' ter sprake, dan verzachtte haar blik en tuitte ze vertederd haar lippen: 'Dat arme mens kan er ook niets aan doen.' Toen ze na een of andere prestigieuze première aan Juliana werd voorgesteld, schijnt deze te hebben verzucht - in gedachten zie ik de bleke ogen opwaarts zweven - : 'Ach, ik had ook zo graag aan het toneel gewild, maar ja...'

Bij iedere glimp van die sherrydrinkende, filtersigarettenrokende lieverd die altijd zo overgeleverd stond te wuiven, was ik diep ontroerd. Vooral omdat mijn moeder gek genoeg naarmate ze ouder werd op haar ging lijken. Althans in mijn perceptie. Ik ben niet de enige. Veel moeders van generatiegenoten hadden ieder op hun eigen wijze wel iets van Jula weg. Over dit onderwerp schreef Guus Vleugel een van zijn mooiste liedjes: Arme ouwe.

Destijds werd Koninginnedag altijd op Paleis Soestdijk gevierd. En op de televisie uitgezonden. Maar nergens in mijn omgeving kon ik met goed fatsoen mijn koningsgezinde hart ophalen. Niet bij mijn moeder: 'Die poppenkast!' Noch thuis bij mijn wederhelft; we hadden niet eens televisie. Er was maar één toevluchtsoord. Het huis van mijn vader in het Gooi. Samen met zijn vrouw op de cretonnen bank, een oranje tompouce binnen vorkbereik, leverde ik onbekommerd commentaar op die vrolijke familie op dat bloemrijke bordes: wat iedereen aan had, wie op wie leek en moest je die schattige kindertjes zien. En altijd weer was Irene de mooiste en best geklede prinses. (Toen wisten we nog niet dat ze eerst katholiek zou worden, later tegen bomen zou gaan praten en vriendschap, nou ja vriendschap, zou sluiten met die dekselse Joop van Tijn)

Terugkijkend naar oude foto's, film- en televisiebeelden valt me op dat ook Beatrix, die ik toen een oninteressante bonk vond, 'eigenlijk' een heel aantrekkelijk en gaaf (in de ouderwetse betekenis van het woord) gezicht had met dat kuiltje in haar wang. Oké, haar gestalte was aan de stevige kant en het zelfde gold voor dat bewegingloze kapsel, maar in retrospect is ze veel knapper dan ik altijd dacht. En ook nu mag ze er wezen, ja, wordt haar gezicht steeds interessanter, misschien dankzij die heldhaftige lach door alle verdrietigheden heen.

Tijdens haar aftreedspeech was ik diep ontroerd. Zoals vroeger door haar moeder. Maar op een andere manier. Niks 'arme ouwe'. Dappere dodo! Soevereine vrouw!

undefined

Meer over