Socialistische partijleiders hadden alleen maar last van de theorie

'Ik heb het marxisme bestudeerd als strijder, niet als kamergeleerde', zei Troelstra. Menige socialistische partijleider zei het hem na. 'Regelmatig werden leiders van het socialisme betrapt op een mengeling van nonchalance en onwetendheid als het om de kroonjuwelen van hun politieke overtuiging ging', constateert Piet de Rooy....

PIET DE ROOY

HET KAN langzamerhand niemand zijn ontgaan dat de sociaal-democratie in Nederland haar eeuwfeest viert. Waar het met de PvdA heen moet is nog niet in alle opzichten duidelijk, maar het verleden ligt er langzamerhand weer glanzend bij. Juist doordat de toekomst zo onbestemd is, raakt men zelfs enigszins opgewonden van ieder nieuw boek over het rijke verleden. Zo was de aanbieding van het vijftiende jaarboek voor het democratisch socialisme, Van Troelstra tot Den Uyl (een bundel met biografische portretten), zelfs een bescheiden media event. Misschien in de hoop dat uit het verleden enige troost en inspiratie konden worden geput?

Socialisten hebben iets met geschiedenis. Er is geen enkele politieke beweging in Nederland die zich zo intensief met het eigen verleden bezighoudt en waarover zoveel is geschreven, zowel door vriend als door vijand - het verschil was overigens soms moeilijk vast te stellen. We weten van deze beweging dan ook tot soms in de kleinste details welke grootse idealen haar bezielden en welke ruzies haar verscheurden.

En zo heeft Kleio, de muze der geschiedschrijving, het van begin af aan nogal druk gehad met die beweging. Voor een deel was deze muze een geliefde vriendin, wier salon men gaarne bezocht, maar daarnaast vreesde men haar als een strenge meesteresse, zodat men eerst nog eens een blokje omliep voordat men rekenschap durfde af te gaan leggen van wat men met 'tijd en taak' had gedaan. Maar er is geen politieke beweging waar de autobiografische geschriften zo veelvuldig en openhartig zijn, de jubilea zo grondig voorbereid worden en de archieven zo zorgvuldig bewaard zijn.

Hiervoor zijn verschillende verklaringen te geven, maar een van de voornaamste is wel dat het niet eenvoudig is uit te leggen wat socialisme nu eigenlijk is. Voor zover het zich beriep op de wetenschap, zoals door Marx neergelegd in de drie kloeke banden van Das Kapital, kan worden vastgesteld dat deze nauwelijks invloed heeft gehad op het handelen van politici die zichzelf socialist noemden. Verreweg de meesten gingen ervan uit dat Marx wetenschappelijk bewezen had waar ze voor en tegen waren, en daar lieten ze het zo'n beetje bij.

Regelmatig werden leiders van het socialisme betrapt op een mengeling van nonchalance en onwetendheid als het over de kroonjuwelen van hun politieke overtuiging ging. Neem bijvoorbeeld Domela Nieuwenhuis, die het in 1881 waagde aan Marx te vragen wat hij moest doen als ze de macht in handen zouden hebben gekregen, want politieke en economische hervormingen vergden nogal wat tijd en intussen zou het hongerende volk om brood vragen: 'Wat zou u het eerste aanpakken om de nooddruftige mensheid te helpen?' Waarop Marx in zijn antwoord knorrig liet merken dat deze vraag vooral duidelijk maakte hoe weinig Domela van het marxisme begreep.

Bijna een halve eeuw later bekende Troelstra dat hij zich nooit zo in die theoretische geschriften had verdiept: 'Ik heb het marxisme bestudeerd als strijder, niet als kamergeleerde.' Nou, dat had een aantal linkse intellectuelen al eerder ontdekt! En nog weer later zou Hilda Verwey-Jonker over Den Uyl opmerken dat het een interessante man was, maar geen groot theoreticus: 'Den Uyl is democraat, hij wil de spreiding van macht, kennis en inkomen, maar als socialistisch theoreticus mist hij iets. Over het Reich der Freiheit zul je hem niet horen, hij heeft geen voorstelling van een socialistische maatschappij.' Kortom, de wetenschappelijke kern van het socialisme was eigenlijk bovenal iets waar partijleiders last van hadden. In de eerste plaats immers moesten ze het socialisme voortdurend verdedigen tegen de clichématige aanvallen en simplistische kritiek van een vijandige buitenwereld.

In de tweede plaats konden allerlei verschillen van mening in de partij gemakkelijk verbonden worden met verschillende opvattingen over ideologie en theorie van het socialisme en daarmee al snel uitlopen op legitimaties voor schisma en splijting. Daar houden partijleiders niet van. Voor hen ging het er om 'de beweging' overeind te houden, mèt wetenschap als het moest en zònder als dat beter was. Want voor zover het socialisme 'iets' was, was het vooral het denken en handelen, in heden en verleden, van mensen die zichzelf als socialisten beschouwden; het socialisme was bovenal 'de socialistische beweging'. De relatie tussen de beweging, de partijleider en de theorie is in Nederland belast en beladen met een geweldige hypotheek. Aanvankelijk had men de theoretische inzichten simpel en overzichtelijk gehouden ('meerwaarde' was toch vooral dat kapitalisten de arbeiders extra uitbuitten). Er was hier zelfs zo weinig gepubliceerd over de wetenschappelijke kant van het socialisme dat mensen die ertegen waren, zich moesten behelpen met de geschriften van buitenlanders, vooral Duitsers.

Dat gold bijvoorbeeld voor Wim Treub, die in 1902 en 1903 twee kloeke banden uitgaf vol kritiek en weerlegging, Het wijsgeerig-economisch stelsel van Karl Marx. Dit bleek echter achteraf een soort openingsschot te zijn geweest, want verschillende linkse intellectuelen hebben vervolgens jarenlang het tijdschrift De Nieuwe Tijd volgeschreven om Treub mores te leren.

Over het debat dat toen volgde, is vorig jaar een lezenswaardig en intelligent proefschrift verschenen, geschreven door de Amsterdamse econoom Frank Kalshoven, Over marxistische economie in Nederland, 1883-1939. Alles wat een vooruitstrevend mens geacht wordt te weten - zoals het waardebegrip bij Marx - maar niet meer durft te vragen, legt Kalshoven voortreffelijk uit.

Hij laat zien dat zich tussen 1900 en 1916 een typisch Nederlandse variant van wetenschappelijk marxisme ontwikkelde (gedragen door mensen als Pannekoek, Saks, Wibaut en De Wolff), dat theoretisch sterker in elkaar steekt, consistenter en logischer is dan met name de Duitse variant. Het aardige is, zo demonstreert hij overtuigend, dat Treub wel gelijk had met zijn kritiek, maar slechts voor zover deze sloeg op de Duitse 'orthodoxe' variant van het marxisme.

Uitgedaagd door Treub slaagden de Nederlanders erin een veel consistentere filosofische en economische fundering aan te brengen. Deze werd overigens in het buitenland nauwelijks bekend, want hun werk werd niet of nauwelijks in het Duits vertaald. De discussie liep na ongeveer anderhalf decennium een beetje dood, omdat de meest intelligente schrijvers hun aandacht op wat anders gingen richten, zonder voor opvolgers te hebben gezorgd.

Daarnaast was er tegelijkertijd nog een probleem. Deze wetenschappelijke discussie was niet alleen losgebrand als een campagne tegen Treub, maar ontwikkelde zich geleidelijk aan ook als een campagne tegen Troelstra. In de jonge SDAP werden steeds meer allerlei heftige politieke meningsverschillen verbonden met zorgvuldige theoretische hoogstandjes, die vervolgens op hun beurt weer dienden als legitimaties voor verder oplopende ruzies.

Dit liep in 1909 uit de hand door het royeren van de linkse oppositie, waarna deze de Sociaal-Democratische Partij (SDP) oprichtte; dit alles is door Buiting in zijn dissertatie uit 1989 uitputtend beschreven. Deze traumatische ervaring heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat het filosofisch en economisch denken in de SDAP sindsdien beperkt en fragmentarisch is.

Zo werd na de Eerste Wereldoorlog in het zogenoemde 'ingenieurssocialisme' eigenlijk een klassiek-liberale economische theorie gebruikt, voorzien van een programmatisch pleidooi voor socialisatie. Daarvoor kon overigens nooit erg veel enthousiasme worden ontdekt en het leek toch vooral een bedenksel van een aantal intellectuelen die men niet had willen teleurstellen en daarom maar een toekomstbeeld had laten ontwerpen.

De vernieuwing zou komen van Tinbergen, die in de jaren twintig de gebaande economische paden al had verlaten: hij had de 'grenswaardeleer' in twijfel getrokken, uitgelegd dat er al lang geen 'echt' kapitalisme meer was en dat het strijden voor hoger loon ook geen oplossing voor alles was. Bovendien had hij veel rechtstreekser een verband gelegd tussen economisch inzicht en politiek handelen door de nadruk te leggen op het feit dat bij uitstek de overheid 'regelende principes' diende te ontwikkelen, gebaseerd op een beginsel van sociale rechtvaardigheid en redelijkheid. Dat was het leidend beginsel achter Het Plan van de Arbeid, dat na de Tweede Wereldoorlog in grote lijnen zou worden gerealiseerd.

Het artikel van Aad Blok over Tinbergen is dan ook een van de meest interessante bijdragen in Van Troelstra tot Den Uyl, juist omdat daarin opnieuw zo aardig naar voren komt dat we intellectueel het meest verwachten van de sociaal-democratie, terwijl er tegelijkertijd een beweging aan vastzit die het allemaal niet eenvoudig maakt. Hoe al die partijleiders toch hebben moeten worstelen om langzaam verstenende standpunten behoedzaam bij te buigen (Albarda was tijdens het interbellum in dit opzicht groots en schandalig ondergewaardeerd), of al te grote gekkigheid tegen te houden (men denke hier aan het vasthoudend optreden van Van der Stoel, toen de partij binnenlandse politiek ging voeren door standpunten in te gaan nemen op het gebied van de buitenlandse politiek).

Maar zo wordt de bundel langzamerhand ook een beetje Bibelebonts: verstandige stukken over verstandige sociaal-democraten met verstandige opvattingen. Zelfs het openingsstuk over Troelstra is een beetje flets uitgevallen. Gelukkig is er het prachtige stuk van Trouw-redacteur Willem Breedveld over Den Uyl: 'zoveel politiek talent, zo'n krachtbron' en toch ook zo onmiskenbaar mislukt. Want weliswaar heeft hij de partij groot weten te maken, maar tegelijkertijd de eenzaamheid in geleid.

Misschien was dat ook niet zo erg: Troelstra kende geen grotere populariteit dan na zijn 'vergissing' in 1918, zoals we allen van Den Uyl hielden na de hopeloze kabinetsformatie van 1977. Er is in de socialistische beweging een lange traditie om vooral van tragische verliezers te houden. En het is Kleio die, beseffend hoe hoog het ideaal was, zodat falen ook nauwelijks kon uitblijven, zachte troostwoorden spreekt.

Piet de Rooy

Frans Becker, Martin Ros, Saskia Stuiveling, Bart Tromp (redactie): Van Troelstra tot Den Uyl - Het vijftiende jaarboek voor het democratisch socialisme, 1994.

De Arbeiderspers / Wiardi Beckman Stichting; ¿ 29,90.

ISBN 90 295 2314 X.

Meer over