Sociale partners rijp voor wettelijk recht deeltijdwerk

Vakbonden en werkgeversorganisaties verzetten zich niet meer tegen de Wet-Rosenmöller, die werknemers het recht geeft 20 procent korter te gaan werken....

Van onze verslaggeefster

Milja de Zwart

DEN HAAG

De Wet-Rosenmöller is anderhalf jaar geleden aanvaard door de Tweede Kamer, maar ligt sindsdien bij de Eerste Kamer. VVD en CDA, die in de Tweede Kamer tegen stemden, vormen daar een meerderheid. De CDA-senaatsfractie heeft haar oordeel afhankelijk gemaakt van de evaluatie van de Stichting van de Arbeid. Als die geen 'substantiële groei' van deeltijdwerk aantoont, stemt zij alsnog voor de wet.

De christen-democraten staan onder zware druk van de achterban om de wet toch te aanvaarden. Begin dit jaar publiceerde de partij een notitie over gezinspolitiek, waarin stond dat 'invoering van een wettelijk recht op deeltijdwerk noodzakelijk is', als werknemers en werkgevers er blijkens de evaluatie gezamenlijk niet uitkomen. Een maand geleden, bij de algemene politieke beschouwingen over de rijksbegroting 1998, herhaalde CDA-leider De Hoop Scheffer dat.

De Stichting van de Arbeid zegt nu niets meer over de wet, die zij vier jaar geleden nog unaniem ontraadde. In 1993 vond de stichting het vruchtbaarder om in de cao's vast te leggen dat verzoeken om korter te gaan werken in beginsel zullen worden gehonoreerd. Uit een steekproef blijkt nu dat dit in één op de vier cao's is opgenomen. Slechts in één op de acht cao's is toegevoegd dat dit geldt voor iedere functie, op ieder niveau en in iedere sector.

Werken in deeltijd is intussen wel 'gestaag' toegenomen, van 33 naar 37 procent. Maar de stichting concludeert dat het toekomstperspectief dat zij vier jaar geleden schetste, niet is bereikt. Destijds schreef zij dat stagnatie van de groei van deeltijdwerk moest worden voorkomen. 'Stagnatie is niet denkbeeldig, wanneer deeltijdarbeid geconcentreerd blijft in een beperkt aantal sectoren en functies. Een dergelijk eenzijdige ontwikkeling moet worden doorbroken.'

Nu zegt ze 'dat deeltijdarbeid voor het overgrote deel nog steeds een vrouwenzaak is' en dat 'de toename het grootst is bij functies van lager en middelbaar niveau'. De bijgeleverde cijfers leren dat er vooral groei was in de zakelijke dienstverlening (18 procent), handel (8 procent), gezondheidszorg (7 procent), de culturele sector (7 procent) en het onderwijs (6 procent).

De evaluatie bevat aanwijzingen dat invoering van een wettelijk recht wel tot een doorbraak kan leiden. 'Mannen zijn eerder geneigd om werk te maken van hun wens om minder te gaan werken, wanneer er een regeling in de cao of het bedrijf bestaat.'

Meer over