Sociaal gedrag? Je moet maar durven!

In een samenleving waar de norm is dat iedereen voor zichzelf opkomt, moet je een sterk ontwikkeld individu zijn om op te komen voor het algemeen belang....

BIJ DE KASSA van de supermarkt had ik een fles wijn op de lopende band gezet en ik zei tegen de caissière dat ik van die soort nog vijf in mijn winkelwagentje had staan. Bij controle van de bon bleek dat ze die vijf flessen, van tien gulden per stuk, niet had meegerekend. Ik liep naar de servicebalie en zei: 'Er is een foutje gemaakt, ik heb te weinig betaald.' 'Dat moet je niet zeggen joh!', zei het meisje achter de balie onmiddellijk. 'Nou ja, het is zo'n groot bedrag', zei ik verontschuldigend. 'Het is toch raar om daarmee weg te lopen.'

Ik stond mezelf, met andere woorden, te verdedigen voor mijn fatsoen. 'Misschien word ik dan wel ziek van die wijn of zo', voegde ik nog zwakjes toe, in de hoop dat ik met een verwijzing naar iets karma-achtigs genade zou vinden in haar moderne ogen.

Onder het enigszins misprijzende lachje van het meisje betaalde ik vijf tientjes bij. De keer daarop dat er iets niet was afgerekend in die supermarkt durfde ik het niet te melden. In principe ben ik tegen dat soort oneerlijkheid. Ik vind dat ik erboven sta; als je het daarvan moet hebben... Maar om nou helemaal gekke Gerritje te worden in dat filiaal, dat ging me gewoon te ver.

Ik vond het wel een interessant hedendaags geval van botsende normen en waarden. Mijn eerlijkheidsnorm was gebaseerd op een idee van algemeen belang: als iedereen gewoon betaalt wat hij moet betalen, kan de winkelier de prijzen schappelijk houden. De werkneemster van de supermarkt vertegenwoordigde echter niet haar bedrijf tegenover mij; ze was alleen zichzelf en gaf haar eigen mening puur als individu. Haar gedrag paste dus beter in onze sterk geïndividualiseerde maatschappij.

Maar ze liet tegelijkertijd duidelijk merken dat ze mijn gedrag afkeurde en daarmee oefende ze toch een soort sociale controle uit, en wel met succes. Ze legde mij haar norm op, zou je kunnen zeggen, en die norm was: je bent gek als je een voordeeltje zoals dit niet gewoon in je zak steekt. Eigen schuld voor het bedrijf, moeten ze maar geen fouten maken bij de kassa.

De norm van het individualisme, van het ieder voor zich. In een notendop was hiermee de paradox samengevat: in een individualistische samenleving moet je wel erg sterk in je schoenen staan om ouderwetse fatsoensnormen gebaseerd op een algemeen belang te blijven naleven en uitdragen. Met andere woorden: een mens moet een hoge mate van individualiteit bereikt hebben om zich sociaal te kunnen gedragen.

In collectieve samenlevingen is sociaal gedrag opgelegd; je hoeft er niet zelf voor te kiezen, want de sociale controle is zo sterk dat je je wel moet voegen in de kudde. In onze sterk geïndividualiseerde maatschappij daarentegen moet je zelf kiezen voor sociaal gedrag, als je daar tenminste voor voelt, en dat ook nog tegen de heersende mores in. Als je je fatsoenlijk wilt gedragen, sta je alleen. Of vorm je in elk geval een zwakke minderheid.

Wij leven in een zeer individualistische samenleving en volgens de statistieken van geluksprofessor Ruut Veenhoven is dat een van de belangrijkste redenen waarom wij landelijk gemiddeld zo hoog scoren op geluk. In meer collectieve maatschappijen waar de sociale controle groot is om aan algemene normen te voldoen, zijn meer mensen ongelukkig omdat ze buiten de boot vallen, en dat drukt het gemiddelde nationale welbehagen. Maar in onze ieder-voor-zich-samenleving beginnen velen onder ons zich toch ook onbehaaglijk te voelen.

Individualisme betekent kennelijk dat iedereen overlast mag veroorzaken en dat niemand daar iets van mag zeggen. Zwerfvuil maakt het mooiste park armzalig, om maar niet te spreken over markten en pleinen. Brommers razen over voetpaden, auto's staan dubbel geparkeerd in drukke winkelstraten, honden poepen in openbare zandbakken, rokers roken in niet-roken-coupés, en een dappere burger die er nog iets van durft te zeggen.

Sociale controle is iemand aanspreken op een algemene norm. 'Dit is een voetpad, waarom kom jij er met een knetterende brommer overheen zodat wij allemaal opzij moeten springen?' Mensen die zoiets proberen, ondervinden dat dit soort vermaningen doorgaans weinig effect meer hebben. Het antwoord van de asociale brommer, als er al een antwoord komt, zal dikwijls iets zijn in de trant van: 'Dat gaat je niet aan, ouwe lul.' Of op zijn minst een sarcastisch: 'Ga maar bij de politie!'

Iedereen vindt blijkbaar dat hij ongeremd zichzelf mag zijn en onbelemmerd doen wat hij wil, zolang hij niet door een sterkere kracht dan hijzelf wordt tegengehouden. Het doet Amerikaans aan. Een vriend van mij vertelde jaren geleden dat hij op een Amerikaanse snelweg was aangehouden wegens te hard rijden. 'Mag ik hier niet harder dan 60?', had hij gevraagd. 'Van mij mag je alles', antwoordde de agent. 'Maar als ik je kan pakken, dan pak ik je.'

It's a jungle out there en kennelijk is dat ons voorland. Van een grote bek geven aan iemand die je vermaant niet te brommen op een voetpad naar de exhibitionistische zelfverrijking van de topmanager lijkt een grote stap, maar is het niet. Het principe is ieder voor zich en als je er last van hebt, dan zullen we nog wel eens zien wie hier de sterkste is. Natuurlijk kan de gemiddelde burger het zich ook nauwelijks meer permitteren bestraffend het vingertje op te heffen als zelfs officials dat niet durven.

In de trein gaan twee jongens eerste klas zitten, de conductrice loopt langs en roept vrolijk: 'Er is verderop nog genoeg plaats in de tweede klas hoor!' 'We gaan er toch zo weer uit', zegt een van de jongens en ze blijven zitten. De conductrice loopt weg, het sop is haar de kool niet waard. Ze mocht eens een mes tussen haar ribben krijgen, en dat voor dat korte ritje in een verkeerde coupé? Maar als zij het niet doet, heb ik als passagier al helemaal geen kans meer. Ook als de jongens sigaretten opsteken in deze niet-roken-coupé haal ik het niet in mijn hoofd om er iets van te zeggen.

Sommige mensen doen dat soort dingen wel. Een vriend van mij, een kleine, zachtaardige man van over de zestig, vertelde het volgende verhaal. 'Ik liep door een overvolle trein, mensen stonden in de gangpaden. Ik zag een grote Surinamer zitten met zijn benen op de bank tegenover zich. Hij nam dus twee stoelen in beslag, en dat terwijl er te weinig zitplaatsen waren. Kennelijk durfde niemand er iets van te zeggen. Ik bleef als aan de grond genageld staan en ik riep: Wat krijgen we nou! Die hele trein is vol en jij legt gewoon je voeten op de bank? En je maakt de boel nog smerig ook!

'Iedereen in de coupé wendde het hoofd af. Die meneer krijgt vre-se-lijk op zijn bek, dachten ze en daar wilde niemand mee te maken krijgen. Maar de Surinamer tilde langzaam zijn voeten van de bank. Achteraf kreeg ik een beetje wroeging. Wat jammer nou dat uitgerekend hij een Surinamer moest zijn, in die overwegend blanke coupé. Ik zag hem op het volgende station uitstappen en liep met hem op. 'Ik bedoelde er niets discriminerends mee hoor', zei ik. Hij keek me met afgrijzen aan, alsof ik een gevaarlijke gek was.'

Ook dit verhaal zegt iets over onze samenleving. De wegkijkende medepassagiers oefenden hun sociale controle uit door duidelijk te maken dat mijn vriend alleen stond met zijn oproep tot sociaal gedrag. Hij zegt dat hij in dat soort gevallen gedreven wordt door een soort innerlijke razernij. Hetzelfde gebeurt als hij iemand ziet die een blikje of een leeg patatbakje achteloos achter zich neer gooit op straat: dan raapt hij het op en loopt hij de zwerfvervuiler achterna met de woorden: 'Je hebt dit laten vallen.'

Het is tot nu toe altijd goed gegaan, zegt hij, maar zijn zoon heeft al voorspeld dat hij op een dag gruwelijk aan zijn eind zal komen als hij zo doorgaat. Ik hoop van harte dat hij al zijn interventies glorieus overleeft. Als ik durfde, zou ik het ook doen. Als het normaler was om het te doen, zou ik misschien ook durven. Hoe meer mensen dit soort dingen doen, hoe meer mensen het durven. En omgekeerd.

Dat is natuurlijk de ironie. We zijn zogenaamd individualistisch, maar in dit oppervlakkige individualisme lopen we met de massa mee. Het is een zwak soort individualisme dat het nodig heeft om met veel uiterlijk vertoon en territoriale overheersing te bevestigen hoezeer we onszelf zijn en hoe weinig we ons aan anderen gelegen laten liggen. Een echte, doorgewinterde individualist kan zich sociaal gedrag permitteren: die hoeft niet bang te zijn dat zijn grenzen worden overschreden.

In Rotterdam moeten we weer leren elkaar aan te spreken op overlastgevend gedrag zoals het op straat gooien van vuil of verkeerd parkeren, vindt wethouder Herman Meijer. Hij lanceerde het project Stadsetiquette: de leefbaarheid van de stad kan worden verbeterd door meer hoffelijkheid en rekening houden met elkaar. Ik ben benieuwd of Rotterdammers al individualistisch genoeg zijn om het Stadsetiquette-project tot een succes te maken.

Meer over