Sociaal-democratie op z'n Gents: stoverij met bloempatatten

De stad Gent is ooit 'de hoofdstad van het socialisme' genoemd. Sindsdien is er heel wat glorie van de sociaal-democraten verdwenen....

GENT WAS in het laatste kwart van de vorige eeuw de meest proletarische stad van België. Het was ook een liberale stad, een biotoop waarin 'vrijdenkende' liberalen en het rode kanailje de sporen van een roemrijk verleden trokken. In Gent ontstonden de eerste vakbonden. In het buitenland spraken commentatoren in kranten en tijdschriften over 'le modèle gantois' - het Gentse model van de président-fondateur van 'de rode partij', Edward Anseele.

Het morgenrood beleefde tussen 1880 en de Eerste Wereldoorlog triomfen. Een dag na de Oostenrijkse oorlogsverklaring, augustus 1914, stichtten de Gentse socialisten hun eigen symfonieorkest, dat Beethoven's Alle Menschen werden Brüder ging instuderen. De sfeer van het Novecento in Gent, zoals de titel luidt van een zeer lezenswaardige studie van Guy Vanschoenbeek over de Vlaamse sociaal-democratie rond de eeuwwisseling, was tegelijk heroïsch, grimmig en tragisch. Het boek is een caleidoscopische kroniek van het Gentse socialisme.

'De kerk heeft 42 kapellen en kerken in Gent', schreef het socialistische dagblad Vooruit in 1911, 'wij slechts enkele wijklokalen.' De republiek van de kameraden echter groeide tijdens het novecento uit van een winstgevende brood-coöperatieve tot 'den olifant' - zoals men in Gent zei - de 'rode burcht' van de Vlaamse sociaal-democratie.

Straten en pleinen, vernoemd naar de Gentse socialistische leiders, en tientallen gebouwen en feestpaleizen herinneren nu nog aan dat verleden. De socialistische beweging Vooruit, 'de partij van de Vooruiters', vestigde zich rond 1880 in de Sint-Gillissteeg, een zijstraat van de Sleepstraat, dichtbij de arbeiderscités van de Gentse havenbuurt de Muide. De bakermat van de sociaal-democratie lag in de buurt waar vandaag de meeste migranten wonen.

Meer dan de helft van het onroerend goed van Vooruit, de 'rijke' coöperatieve van de socialisten, werd in de jaren vlak voor de Eerste Wereldoorlog verworven. Er verrezen in de Bagattenstraat, aan de Vrijdagmarkt, of de Sint-Pietersnieuwstraat feestpaleizen en 'rode cultuurtempels' in een klassieke stijl, zelfs een socialistisch warenhuis dat is opgetrokken met de 'parvenu-achtige versierwoede van de kleinburgerij'. De 'onsocialistische' architectuur van Vooruit werd door de militanten gewaardeerd. De schilderingen in de paleizen waren pompeus en barok, een opsmuk van de socialistische gedachten in vertrouwde en burgerlijke vormen.

'Vijf uur slaat de klok, half slapend trekken ze naar de fabriek.' In hun optochten en 1-meistoeten droegen de Gentse socialistische vlasbewerkers een toen zeer populair tafereel van de partij-schilder Achilles de Maertelaere mee, een vader en zijn twee dochtertjes die 's morgens vroeg naar de fabriek trekken. Gent groeide in de negentiende eeuw uit tot the Cotton City. Het 'Manchester van België', zo genoemd door Lieven Bauwens die uit Engeland de nieuwste spinmachines had gesmokkeld, was met zijn textielfabrieken en zijn haven het belangrijkste industriecentrum in Vlaanderen. Het was de bakermat van de sociaal-democratie. Op Pinksteren 1875 zag men voor het eerst in Gent de rode vlag, het symbool van de democratie. De militanten zongen er uit volle borst het Kanailjelied: 'Aanziet de stroom der Internationale, 't is het Kanailje dat als een bliksemstrale, de wereld eens voor zich veroveren zal.'

De sociaal-democratie was een soort 'sociale religie' die de aanhangers een onmiskenbaar 'wij-gevoel' gaf. Van de wieg tot het graf zorgde de beweging voor de arbeiders. Het was een 'bakkerijsocialisme', een beweging van coöperatieven ('eerst brood'), wijkclubs, turnverenigingen en arbeiderspaleizen. Jonge moeders kregen een koekebrood en steun van het 'kraambedfonds'. Opgroeiende kinderen waren lid van een turnclub of een socialistische harmonie.

Eten en kleren kochten de militanten in de grands magasins van de coöperatieve. De socialisten organiseerden zondagsschool- of patronaatachtige uitstapjes om de jeugd uit 'de bederfelijke invloed van orgelkoten en danszalen' te houden. De beweging organiseerde alles: de spaarbank, de volkskliniek, de apotheek, de school, de stakingskas, het pensioenfonds, muziek- en toneelverenigingen, bibliotheken, jeugd- en vrouwenbewegingen, zelfs de begrafenissen.

Gent was in de ogen van veel socialistische voormannen 'de citadel van het socialisme'. De fine fleur van Europese anarchisten en socialisten woonden het Congres van Gent bij: Wilhelm Liebknecht, de ongekroonde koning van de Duitse sociaal-democratie, Paul Brousse uit Frankrijk en onder de valse naam 'Levachoff' zelfs de anarchistische prins Peter Kropotkin. De voorman van de Internationale, August Bebel, noemde Gent 'de hoofdstad van het socialisme'. Ferdinand Domela Nieuwenhuis was er een gevierd spreker. Een hele generatie Nederlandse socialisten heeft rond 1900 in Gent 'school gegaan' in de Vooruit.

Onderzoek naar zo'n massabeweging als de sociaal-democratie is haast per definitie anoniem. Toch heeft Vanschoenbeek, historicus bij het Gentse Archief en het Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging, in zijn boek gekozen voor de prosopografische invalshoek: de studie van het levensverhaal en de mentaliteit van de militanten. Hoe leefden zij? Waar kwam hun macht vandaan?

De geschiedschrijving van de arbeidersbeweging richt zich de laatste jaren meer en meer op de militanten. De 'prosopografie', het schrijven van de collectieve biografie van een sociale groep, is geen gemakkelijke opgave. Brieven, dagboeken of herinneringsgeschriften van militanten zijn alleen bij uitzondering bewaard gebleven. Soms ontbreken ook de ledenlijsten, die een antwoord kunnen geven op de vraag wie socialist was. Het archief van de Socialistische Arbeidersbeweging, dat in mei 1980 is opgericht, spoort zulke documenten en 'socialistische boedels' op.

Vanaf de jaren twintig verschuift het electoraal zwaartepunt van de Vlaamse sociaal-democratie naar Antwerpen en naar de streek van Kortrijk. Geleidelijk aan kalft het sociaal-democratische kiezerspubliek in Vlaanderen af, al is en blijft Gent een 'rode burcht in een klerikaal zwart hinterland'.

In zijn roman Een leeuw van Vlaanderen echter schetste Cyriel Buysse in 1898 een minder fraai beeld van de Gentse socialisten, die de strijd voor 'biefstukken' als opperste ideaal zagen. Het hoogtepunt van de strijd wordt meer en meer het jaarlijkse banket in het stamlokaal van de socialistische wijkclubs, met 'kabeljauw met patatten en botersaus' of 'kalfsfricassee'. Op het jaarlijkse partijbanket van 1899 deden vijfhonderd kameraden zich te goed aan 'roastbeef met erwtjes' of 'stoverij met bloempatatten'. De herdenking van de Commune van Parijs werd in 1908 gevierd met boterkoeken en chocolade, een zangstonde, een voorstelling met de 'toverlantaarn' en tot slot mocht de spreker ook iets zeggen over de naderende verkiezingen. Het 'bakkerijsocialisme' van de welvarende coöperatieven, zo dacht de voorhoede, maakte de arbeiders mondig, want 'uytgehongerde buycken hebben geene oren'.

Op James Ensor's bekende Intrede van Christus te Brussel staat op een bord: 'Vive Anseele et Jésus'. Men vergeleek het optreden van 'tsaar Anseele', die met kop en schouders boven de massa militanten uitstak, met 'de nederdaling van den God der kristene op het tabernakel'. Hij was - zoals nu nog sommige socialistische leiders - de onbetwiste padre padrone van de Vlaamse sociaal-democratie, de 'leeuwentemmer van de arbeidersklasse'.

Een kleurrijk gezelschap van dissidenten verzette zich tegen het 'bonapartisme' van Anseele. Ook de coöperatieven ontsnapten niet aan wat de Amerikaanse socioloog James Burnham de managerial revolution heeft genoemd. De macht kwam meer en meer in handen van een 'professionele' nomenclatura, een 'nieuwe klasse' van goed betaalde secretarissen van partij, ziekenfondsen of vakbonden.

Geld was blijkbaar voor de socialistische nomenclatura toen al een probleem. Karel de Groeve, al rood in de wieg, beheerde de financiën van de socialistische Volksdrukkerij. Hij was een stipte en betrouwbare bediende, die echter ook in bars werd gesignaleerd waar hij met de diensters champagne dronk. Hij bleek tussen 1902 en 1908 voor duizenden en duizenden franken aan waardepapieren te hebben ontvreemd, grote sommen geld die aan de waakzaamheid van de beheerders van de Volksdrukkerij en van andere coöperatieven van Vooruit waren ontsnapt.

De eens zo roemrijke Gentse sociaal-democratie, de oude vormen en gedachten van het 'rode kanailje', heeft volgens Vanschoenbeek 'recht op een waardig stervensproces'. De huidige Belgische socialisten, geplaagd door de onverkwikkelijke Agusta-affaire, hebben aan het eind van de eeuw misschien nu ook de politieke kracht van het 'biefstukkensocialisme' begraven. Of wellicht ook niet. De kiezers beslissen daarover, zondag in het stemlokaal.

Paul Depondt

Guy Vanschoenbeek: Novecento in Gent - De wortels van de sociaal-democratie in Vlaanderen.

Hadewijch; ¿ 49,90.

ISBN 90 5240 248 5.

Meer over