Soares, koning van de Portugese democratie

Na de omverwerping van de rechtse dictatuur in 1974 leefde Portugal een tijd lang in een roes. Het leek wel of iedere Portugees zijn eigen gedachten ontwikkelde over de toekomst van het land....

HET WAS Mario Soares ten voeten uit, daar in het stadion van Lissabon waar op 1 mei 1974 de omverwerping van de rechtse dictatuur werd gevierd. Verre kennissen en vage bekenden vielen elkaar die dag in de armen als verloren broeders die zojuist waren teruggekeerd uit de kerkers van de geheime politie.

De communistische leider Alvaro Cunhal sloeg in dat afgeladen stadion demonstratief zijn arm om de uit Frankrijk teruggekeerde balling Soares. De socialist wurmde zich onder de omarming uit. Vriendschap sluiten met de communisten? Dat nooit.

In het gistende Portugal werd hem die houding destijds door velen niet in dank afgenomen. Maar in de Verenigde Staten en West-Europa zag men hem als een baken van de democratie. En zo is hij ook te boek komen te staan: als de man die wist te verhinderen dat Portugal communistisch werd, als de man die Portugal wist te vrijwaren van een militaire dictatuur, die het land deed opgaan in de democratische gelederen.

Terwijl scholieren en studenten elkaar tijdens de Anjerrevolutie van 1974-'75 tot diep in de nacht om de oren sloegen met de ideeën van Marx, Lenin en Mao; terwijl fabrieksarbeiders en bankemployés de revolutionaire modellen van Chili, Cuba en Joegoslavië bestudeerden; en terwijl soldaten in de kazerne en dames bij de kapper de voors en tegens van een radendemocratie bespraken, stond voor Mario Soares al lang vast dat Portugal maar één toekomst had: een parlementaire democratie als alle andere Westeuropese landen.

De linkse militairen die de macht hadden gegrepen omdat ze genoeg hadden van de langdurige, bloedige koloniale oorlogen die ze in Afrika moesten uitvechten, waren zover nog niet. Die waren net zo verdeeld over de toekomst van Portugal als de rest van de bevolking. Bij hen zou Soares niet veel steun vinden. Daarom zon hij op andere middelen.

De enige krant die met ongekreukt blazoen uit de dictatuur tevoorschijn was gekomen was het onafhankelijke Republica. Hoofdredacteur Raul Rego, die zich in 1974 bekendmaakte als een socialist, had de strenge censuur jarenlang moedig getart. Maar Republica verloor zijn onafhankelijkheid op de dag dat Mario Soares ter zetterij verscheen om te vertellen welke stukken er op de voorpagina moesten komen. Toen een deel van de redactie en het technisch personeel zich daartegen verzette, liet Soares deze 'communisten' ontslaan ter wille van de persvrijheid. Niet lang daarna werd het blad opgeheven.

De enige vakbonden die Portugal kende, waren de bonden die de communisten in de illegaliteit hadden opgericht. Ook niet-communisten waren er lid van geworden. De communisten wilden er een nationale eenheidsvakbeweging van maken: Intersindical. Maar daar voelde Soares niets voor. Hij vroeg de socialisten in West-Europa zijn strijd voor de vakbondsvrijheid financieel te ondersteunen en richtte zijn eigen vakbonden op.

Op de uitgestrekte landerijen van de zuidelijke Alentejo was de communistische bond van landarbeiders begonnen de landheren te verjagen en landbouwcollectieven op te zetten. Onder de leus 'De aarde is voor wie haar bewerkt' werd de strijd aangebonden tegen een stelsel van grootgrondbezit dat door Salazar nooit van zijn feodale trekken was ontdaan.

Soares' boerenbond liep te hoop om een communistische machtsovername in het noorden van Portugal (waar geen grootgrondbezit voorkomt) te verhinderen en de nieuwe landbouwcollectieven te verdrijven uit het zuiden. Communistische partij- en vakbondskantoortjes werden belaagd, beschoten en in brand gestoken. Er vielen doden.

Angst voor een burgeroorlog stak de kop op. Anderhalf jaar na de omverwerping van de dictatuur was de chaos compleet. Portugese kolonisten keerden bij duizenden berooid terug uit de afgestoten koloniën Angola en Mozambique (waar de bevrijdingsstrijd vrijwel naadloos overging in een burgeroorlog); ook in Portugal was de armoede er, mede als gevolg van de eerste grote oliecrisis, alleen maar groter op geworden. De wetten en instellingen van het Salazar-bewind waren vernietigd, maar er waren nog steeds geen nieuwe voor in de plaats gekomen.

De militairen wisten nog steeds niet waar het heen moest met Portugal, en ook de politieke leiders konden het er met elkaar niet over eens worden. In de hete zomer van 1975 stapte Soares uit de regering, waar de militaire premier steeds meer op de orthodox-communistische uitgangspunten van Cunhal begon te leunen.

Het was echter niet Soares, maar generaal Ramalho Eanes die (in opdracht van de militaire president Costa Gomes) in november 1975 het revolutionaire vuur voorgoed doofde, toen hij een eind maakte aan een muiterij van een groepje linkse militairen die boos waren over het ontslag van de revolutionaire commandant Otelo Saraivo de Carvalho.

Na deze militaire zuivering was het gevaar voor een burgeroorlog geweken. De Anjerrevolutie was voorbij. In 1976 kwam er een nieuwe grondwet en kon Mario Soares zich regeringsleider noemen in de parlementaire democratie die hem voor ogen had gestaan; generaal Eanes zelf nam genoegen met de rol van waakhond-president.

Soares, die zijn socialisten in het midden had gemanoeuvreerd, gaf de voorkeur aan een minderheidsregering, 'zonder te buigen naar rechts of naar links'. Hij begon de nationalisering van de familieconglomeraten en grootgrondbezittingen terug te draaien - met als gevolg dat de communisten hem voor verrader uitmaakten, terwijl de oude families klaagden dat hun schadevergoedingen zo laag waren. In 1978 moest hij het veld ruimen, toen de socialisten links en vooral rechts stemmen verloren.

Een kortstondig verstandshuwelijk met de rechtse CDS liep op niets uit. Maar toen Soares in 1983 voor de derde maal premier werd, had hij zijn keus (mede namens het Portugese volk) voorgoed bepaald. Zijn regering bestond uit wat nu 'het centrum-blok' moest heten: de socialisten samen met de liberale PSD. Soares had trouwens nòg een besluit genomen, zo werd al direct bij het aantreden van zijn nieuwe kabinet verondersteld: in 1986 zou hij Eanes opvolgen als staatshoofd.

Kort nadat Portugal zich onder zijn leiding had aangesloten bij de Europese Gemeenschap wist Soares, de calculerende man van het centrum, zijn rivalen ter linker- en ter rechterzijde opnieuw tegen elkaar uit te spelen en met de hakken over de sloot het presidentieel paleis te bereiken. Daar wist hij eindelijk heuse glans te geven aan de rol die hij zichzelf vanaf het begin had toebedacht: die van Vader des Vaderlands. Zijn populariteit groeide en in 1991 werd hij met het recordpercentage van 70,4 herkozen.

Marianne Boissevain

Meer over