Snelle groei SP heeft risico's

Het gaat goed met de SP. De aantal kiezers en leden van de partij groeit als kool. Gerrit Voerman meent echter dat de sociale homogeniteit van de partij daardoor kan worden aangetast en de nieuwkomers zich niet zullen schikken in de bestaande hiërarchische verhoudingen....

GERRIT VOERMAN

'ONZE stoorzender mag zich verheugen in een groeiende populariteit. Al drie jaar zijn we de snelst groeiende partij van het land.' SP-leider Jan Marijnissen kon zich met recht op de borst kloppen op het congres van zijn partij: het gaat de SP voor de wind. De partij is met een indrukwekkende opmars bezig: bij haar debuut bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1974 behaalde zij vijf zetels, in 1994 126 zetels.

Dat jaar bracht de partij met twee zetels in de Tweede Kamer ook de lang verbeide landelijke doorbraak. Een jaar later volgde de eerste senator. De SP staat er momenteel in de opiniepeilingen goed voor met zeven zetels. Naast de electorale vooruitgang neemt ook het ledental flink toe. Waar vele andere partijen reeds jarenlang met ledenverlies kampten, groeide de aanhang van de SP van zo'n tienduizend in 1986 via 16 duizend in 1994 tot ruim 22 duizend begin dit jaar.

Waar links en rechts met elkaar in het paarse kabinet samenwerken en zich minder van elkaar onderscheiden, slaat de heldere, rode boodschap van de SP kennelijk aan. Haar forse groei roept evenwel enkele fundamentele vragen op.

In de eerste plaats: wat zijn de oorzaken van dit succes?

Profiteert de SP vooral van de Amerikanisering van de politiek, waarbij het imago van partijleider Marijnissen er meer toe doet dan het program, zoals Malou van Hintum veronderstelt (Forum, 2 februari), of is er meer aan de hand?

En ten tweede: waar liggen de grenzen voor haar onstuimige expansie?

Zal de SP groeien tot 6 à 10 procent van de stemmen, zoals de links-socialistische partijen elders in West-Europa waarmee Erik Meijer haar vergeleek (Forum, 29 januari), of zal de SP eerder haar limiet bereiken?

De verklaring voor de succes-story van de SP bestaat naar mijn mening uit drie samenhangende componenten: activisme, populisme en een anti-PvdA-opstelling. Toen de partij eenmaal tot de Tweede Kamer doordrong, smaakte zij het genoegen om over een aansprekend leider te beschikken.

De SP is bij uitstek een actiepartij. Recente voorbeelden zijn de campagnes tegen de jaarlijkse huurverhoging, de invoering van de EMU en de groeiende sociaal-economische tweedeling in de samenleving; en de actie vóór de invoering van een fonds voor asbestslachtoffers. Deze activistische inslag hangt nauw samen met haar ontstaansgeschiedenis.

De SP stamt af van de maoïstische oppositie in de CPN, die rond het midden van de jaren zestig werd geroyeerd. Hoewel de SP naar verloop van tijd de maoïstische retoriek overboord zette, bleef zij zich in haar anti-kapitalistische opstelling op de zogeheten 'massa-lijn' van Mao oriënteren. Dit leerstuk verplichtte de revolutionairen goed te 'luisteren' naar het volk.

De SP voerde al in de jaren zeventig allerlei acties in wijken en bedrijven tegen concrete misstanden als woningnood, hoge huren en milieuvervuiling. Ook stichtte zij gezondheidscentra in Oss en Zoetermeer. Door deze aanvankelijk op de buurt gerichte maar later ook op landelijk niveau gevoerde directe belangenbehartiging kon de SP al dan niet latente politieke onvrede mobiliseren. De partij bouwde zo haar achterban eigenhandig op, doorgaans niet gehinderd door andere politieke partijen die zich veel minder vaak in probleemwijken vertoonden.

Het activisme van de SP ging vergezeld van een populistische instelling. Deze lag eveneens in Mao's massa-lijn besloten. De partij beschouwde zich als 'stem des volks'. Zij zou mede door haar acties zeer goed in staat zijn te weten wat er onder de massa's leefde. Haar uitgangspunt was de in de wijken gepeilde mening van de 'gewone' man - of althans de perceptie die de SP daarvan had. Deze mening werd daarna min of meer tot richtsnoer of norm voor haar politieke opstelling verheven.

Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de toentertijd geruchtmakende brochures over feminisme (1980) en gastarbeid (1983). De SP is hierbij altijd zeer beducht geweest voor stellingnames die haar van de bevolking zouden kunnen isoleren. Door haar voorgestelde oplossingen voor complexe maatschappelijke problemen zijn soms erg eenvoudig en makkelijk.

Zo moeten bijvoorbeeld volgens het huidige concept-verkiezingsprogram de inkomensverschillen sterk worden verminderd - het 'maximum-inkomen' mag hooguit driemaal hoger dan het minimum liggen. De milieuparagraaf houdt de vervuilende producenten verantwoordelijk voor alle ellende. Het consumentengedrag behoeft niet te worden beïnvloed, want: 'consumenten produceren geen afval. Zij houden slechts over'.

Het activisme en populisme van de SP kreeg deels vorm in een scherpe anti-PvdA-opstelling. Traditioneel beschouwde de SP de sociaal-democratie als niet meer dan een reactionaire steunpilaar voor het kapitalisme; hooguit bereid tot het wegvijlen van wat scherpe kantjes.

Toen de PvdA in 1989 met het CDA ging regeren, startte de SP een felle anti-PvdA-campagne. Teneur van de kritiek was dat het bezuinigingsbeleid van het kabinet 'de rijken rijker en de armen armer' zou maken. Mede doordat de PvdA als gevolg van de impopulaire WAO-herziening in een diepe crisis was geraakt, kon de SP bij de Kamerverkiezingen in 1994 in het parlement komen. De traditionele electorale zuigkracht van de sociaal-democratie, die de SP als overwegend lokale partij in het verleden zo vaak parten had gespeeld, was sterk verminderd; en haar acties en campagnes hadden een einde gemaakt aan haar betrekkelijke landelijke onbekendheid.

Het suces van de SP lijkt vooral te zijn gebaseerd op haar optreden als actie- en protestpartij. Haar proteststrategie - 'stem tegen, stem SP' - slaat aan, maar herbergt echter ook gevaren: het wapen kan immers bot worden. Op gemeentelijk niveau werpt deze 'tegen'-opstelling vrucht af zolang de SP geen bestuursverantwoordelijkheid draagt. Maar met het toenemend zeteltal komt het moment dat toetreden tot het gemeentebestuur niet te vermijden zal zijn. Na de raadsverkiezingen van 1994 was dit punt nog niet bereikt: de SP bleek in geen enkele gemeente politiek bereid òf in staat om toe te treden tot het college van B & W. Dit leidde ertoe dat de SP in een aantal gemeenten als één van de grootste partijen in de oppositie bleef.

Eind 1995 bleek voor het eerst dat SP-kiezers hun bekomst hadden van deze lijn. Bij tussentijdse raadsverkiezingen in Boxtel kwam de SP maar met één zetel in de nieuwe gemeenteraad, terwijl zij er in de oude raad van Boxtel vijf had. Intern werd het verlies mede toegeschreven aan de 'wethouderskwestie'. Veel SP-kiezers zouden zijn thuisgebleven omdat hun partij na de winst bij de raadsverkiezingen van 1994 er niet in was geslaagd om door te dringen tot het college van B & W. Hierdoor was de indruk ontstaan 'dat de SP de spelbreker was. Daar betalen we nu de rekening voor', aldus een SP-raadslid.

Waarschijnlijk niet toevallig besloot het partijcongres een half jaar later om de mogelijkheden te verkennen van het leveren van SP-wethouders. Vlak daarop was het zo ver. Na een crisis in het college van de gemeente Oss vormde de SP in de zomer van 1996 samen met de PvdA, D66 en een lokale groepering een nieuw college.

Ook landelijk kan de proteststrategie minder effectief worden, al ziet het daar momenteel nog niet naar uit. Met Marijnissen heeft de SP een goede electorale troefkaart in handen. Uit kiezersonderzoek van de Volkskrant (4 oktober 1997) bleek dat de SP-leider 'bekwaam en sympathiek' wordt gevonden.

Het is de vraag of dit voordeel in combinatie met de proteststrategie de SP voldoende basis verschaft om zich te ontwikkelen tot een middelgrote partij die zich op min of meer permanente basis ter linkerzijde van de sociaal-democratie vestigt, zoals de West-Europese links-socialistische partijen waarop Meijer doelde. De meeste van deze partijen weten slechts een kleine 'puur' groene concurrent naast zich (zoals in Scandinavië), terwijl de SP in Nederland te maken heeft met het gevestigde GroenLinks.

Een tweede risico voor de SP bestaat in haar als kool groeiende ledenaanhang. Deze toename kan de sociale homogeniteit van de SP bedreigen. Marijnissen zei ooit dat de arbeiders in de PvdA door het hoge percentage hogeropgeleiden uit de partij werden weggejaagd. Iets vergelijkbaars zal zich niet direct bij de SP voordoen, maar met de ledenaanwas verandert de sociale samenstelling van de achterban eveneens.

Naast de fabrieksarbeiders, die de hoofdmoot uitmaakten, melden zich ook meer leden afkomstig uit het onderwijs en de gezondheidszorg. Ook het aantal jongere leden groeit. Op deze wijze neemt de sociale differentiatie in het ledenbestand toe. In een vergelijkbare partij als de CPN leidde een dergelijke ontwikkeling rond 1980 tot een tweedeling in haar achterban, die mede bijdroeg aan haar ondergang.

Dit 'CPN-scenario' is bij een aanhoudende groei niet onvermijdelijk, maar ook niet op voorhand voor de SP uit te sluiten. Daarbij komt dat nieuwkomers zich vroeger of later mogelijk minder makkelijk in de tamelijk hiërarchisch partijstructuur zullen schikken, zoals ook in de CPN het geval was. Conflicten in enkele SP-afdelingen lijken hierop mede terug te voeren.

Zowel extern (als gevolg van het 'uitwerken' van de electorale proteststrategie) - als intern (door grotere sociale en politieke heterogeniteit in de ledenaanhang) brengt het succes van de SP potentiële risico's met zich mee. Kiezers en leden die zich nu in groten getale bij de partij melden, kunnen door het manifest worden van deze ontwikkelingen weer opstappen. Mocht dit gebeuren, dan wil dat zeker niet zeggen dat de SP van het toneel zal verdwijnen. Met haar activisme springt de partij in een gat dat andere linkse partijen laten vallen; daarmee is er in het Nederlandse bestel plaats voor een partij als de SP.

Gerrit Voerman is Hoofd van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij bereidt een boek voor over de geschiedenis van de SP

Meer over