Smokkelaar die heiligschennis beloond ziet

Nu hij het tot president van Montenegro heeft gebracht, is Milo Djukanovic opeens de grote hoop voor de democratisering van Joegoslavië....

MET zijn dure Armani-kostuums, zijn gelikte babbel en zijn onberispelijke loopbaan als partijfunctionaris is Milo Djukanovic een uiterst onwaarschijnlijke kandidaat voor een rebellenleider. Toch was hij de eerste, en tot nu toe de enige, in de gevestigde orde die de desastreuze politiek van Milosevic openlijk aan de kaak stelde.

In februari bezegelde hij zijn lot toen hij de sterke man van Joegoslavië in een interview met het oppositie-weekblad Vreme betitelde als 'iemand met achterhaalde politieke ideeën'. Heiligschennis! 'Ik ben ervan overtuigd', voegde hij daar nog eens aan toe, 'dat het totaal verkeerd zou zijn voor Slobodan Milosevic om een functie te blijven bekleden in het politieke leven van Joegoslavië.'

Met die stap zette Djukanovic een komeetachtige carrière op het spel. In de jaren tachtig was de student economie uit het Montenegrijnse industriestadje Niksic via de jeugd van de Communistische Liga van Joegoslavië opgeklommen tot het Centrale Comité. Hij was nog geen dertig toen Momir Bulatovic, de president van Montenegro en de zetbaas van Milosevic, hem tot premier benoemde.

Geen moment verhief hij zijn stem tegen de oorlogspolitiek van Milosevic. Integendeel. Toen het Joegoslavische Volksleger met de enthousiaste hulp van Montenegrijnse milities de Kroatische kust brandschatte en de historische havenstad Dubrovnik bombardeerde, pochte hij dat ze voor eens en voor al zouden afrekenen met de Kroaten.

Nadat de Verenigde Naties een handelsembargo tegen Servië en Montenegro afkondigde, kreeg Djukanovic de taak om de smokkel van brandstoffen en andere goederen te organiseren.

Hij kweet zich met verve van zijn taak. Via Albanië, de Servische Republiek in Bosnië en de Adriatische Zee smokkelde hij genoeg benzine binnen om het land draaiende te houden.

De zwarthandel werd gecontroleerd en georganiseerd door de Montenegrijnse veiligheidsdienst, die onder leiding stond van een vertrouweling van Djukanovic.

De betalingen verliepen via de buitenlandse privé-rekeningen van ministers en andere functionarissen; logischerwijs verdween een deel van het geld onderweg in de zakken van de betrokkenen.

Onder de hoede van Djukanovic ontstond er een klasse nieuwe rijken, die luxe-appartementen aan de Montenegrijnse kust huurden, rondtoerden in nieuwe BMW's en hun zaken bespraken via mobiele telefoons. Maar de opbrengst van de smokkelhandel kwam ook gedeeltelijk ten goede aan de schatkist, waardoor de lonen en pensioenen - anders dan in Servië - regelmatig konden worden uitbetaald.

De eerste aanvaring met Belgrado vond pas plaats tegen het eind van de oorlog, toen de invloedrijke echtgenote van Milosevic een poging ondernam het communisme te restaureren en de macht te centraliseren in een kleine kliek rond de presidentiële familie.

'Het was in wezen een ruzie over de opbrengsten van de zwarte handel,' zegt de Montenegrijnse oppositiepoliticus Srdjan Darmanovic.

De handelsgeest was over Djukanovic vaardig geworden. Hij begon te pleiten voor snelle hervormingen van het verouderde economische systeem, gelijkwaardiger verhoudingen tussen Servië en Montenegro binnen de Joegoslavische federatie en het aanknopen van betrekkingen met het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank - wat automatisch concessies op politiek gebied zou inhouden.

De politieke verschillen werden op de spits gedreven door de overstap van Milosevic van het Servische naar het federale presidentschap. Hij wilde de grondwet aanpassen om deze, tot dusver protocollaire functie met meer macht te bekleden. Djukanovic weigerde mee te werken omdat het de rechten van het kleine Montenegro zou aantasten. Vooral de eis van Milosevic om de Montenegrijnse veiligheidsdienst op te laten gaan in een nieuwe federale dienst, stuitte op weerstand. Daarop scheurde de regeringspartij - de erfgenaam van de communisten - en kwam Djukanovic aan het hoofd te staan van de hervormingsgezinde vleugel.

Hij toonde zich een pragmaticus en sloot een overeenkomst met de oppositie en de partijen van de Albanezen en de Moslims, waarin hij in ruil voor hun steun democratisering van de republiek beloofde.

Omdat hij als premier bovendien de macht behield over de politie, de veiligheidsdienst, de gerechtshoven en de staatsmedia begon hij met een voorsprong op Bulatovic in de strijd om het presidentschap.

Bovendien had hij geld genoeg: de smokkel was sinds het eind van het embargo gewoon doorgegaan, zij het met sigaretten in plaats van benzine.

Bart Rijs

Meer over