Smerig en giftig

In televisiecampagnes worden de Amerikaanse presidentskandidaten door hun tegenstander weggezet als flapdrol, draaitol of onbetrouwbare leugenaar. Het is sinds jaren gebruikelijk....

Dat het er hard aan toegaat in Amerikaanse verkiezingscampagnes, veel doortrapter dan we in Nederland gewend zijn, is een constante. Ook keert elke vier jaar het verhaal terug dat de strijd nog nooit zo luizig is geweest als in het bedoelde jaar.

Hoe gemeen zijn de campagnes dit jaar van George W. Bush en John Kerry?

Laten we om te beginnen zeggen dat ze op bepaalde momenten behoorlijk tot buitengewoon laag bij de grond zijn.

Het geldt niet in de eerste plaats voor de presidenti debatten, maar vooral voor de televisiespotjes. De debatten, waarvan we er de komende tien dagen nog twee tegoed hebben, gaan ook wel over oorlog, maar op gereglementeerde wijze. Eigenlijk zijn het herenduels. De televisiespotjes daarentegen zijn een vorm van totale oorlog. Er is geen voorbehoud, er is ook niet de schroom van het burgermansfatsoen, het is vernietiging. Volgens velen hebben Bush en Kerry in deze categorie een nieuw hoogtepunt bereikt. Er zijn redenen te bedenken waarom dit waar kan zijn.

De belangrijkste is dat Amerika in oorlog is. Het is niet ieders keuze. Het leidt tot verscherpte verhoudingen. Wie zijn oren niet afsluit, hoort elke dag van gesneuvelde landgenoten.

Een andere verklaring voor de verhitte verhoudingen, of misschien wel dezelfde, is dat het land zelden zo heftig verdeeld was in waardering voor de kandidaten. Beter is: in toewijding aan of verachting voor een van hen.

De figuur van Bush verdraagt geen neutraliteit. Je houdt van hem of je haat hem. Het is in alle gevallen een emotionele kwestie.

Niet vaak komt het voor dat in de stroom van opiniepeilingen kandidaten zo lang zo dicht bij elkaar liggen. Bush had een fantastische septembermaand, hij liep uit op Kerry, maar vier weken voor 2 november, de dag van de stembus, is alles nog mogelijk. Er wordt gevochten om elke stem. Het gebeurt met een inzet die we in Nederland niet kennen. Voor ongeveer de helft van de Amerikaanse bevolking moet straks de avond van 2 november traumatisch zijn.

En dan is er Karl Rove, stille kracht naast president Bush, al bijna tien jaar diens campagneleider. Hij is een categorie op zichzelf. Zijn doortraptheid heeft mythische vormen aangenomen. Juist deze week verscheen over hem in het nieuwe nummer van het politiek-culturele maandblad The Atlantic een bewonderenswaardig goed gedocumenteerd verhaal. Het gaat over liefde voor de politiek en politieke streken.

Rove is altijd goed geweest in het aanblazen van fluistercampagnes. In The Atlantic wordt zijn werkwijze ontrafeld. Gedetailleerd beschrijft het blad hoe hij in Alabama de reputatie van een rechter met politieke aspiraties kapotmaakte. De man maakte zich in zijn vrije tijd verdienstelijk in organisaties die opkomen voor misbruikte kinderen. The Atlantic: 'Een van Rove's kenmerkende tactieken is een tegenstander aan te vallen uitgerekend op een terrein dat onneembaar lijkt.'

Dat moet John Kerry herkennen. Over de rechter in Alabama ontstond het gerucht dat hij een pedofiele homoseksueel was. Het was niet waar, maar het werkte. De man trok zich terug. Over Kerry ontstond het beeld dat hij zijn onderscheidingen uit Vietnam zelf georganiseerd zou hebben, ofschoon de offici documenten anders vertellen. 'Opmerkelijk succesvol' noemde Kerry zelf deze week op de televisiezender ABC de poging tot karakterbeschadiging.

Het zijn factoren die allemaal bijdragen aan de rauwe aard van de strijd. Maar het allerbelangrijkste is vermoedelijk het geld.

Nog nooit ging er zo veel geld om in Amerikaanse presidentsverkiezingen als dit jaar. Bush zamelde tot nu toe 242 miljoen in, Kerry 233 miljoen. Daarnaast kennen zowel Republikeinen als Democraten zielsverwante organisaties die ook nog eens tientallen miljoenen ophalen. Iedere Amerikaan die niet als holbewoner leeft, krijgt in deze maanden ettelijke bedelbrieven. Ofwel van het Republikeinse kamp, ofwel van de Democraten. Niet van beide. John Kerry stuurde mij zijn foto met handtekening. Je bent in kaart gebracht, je buurt, je appartementsgebouw is doorgelicht, ze weten welke kranten en tijdschriften je leest. Geld moeten ze hebben. Vijftig dollar is een lullig bedrag; je mag het aankruisen op de antwoordkaart, maar wie zelfrespect heeft, begint bij duizend. Je houdt niet van je land als je niet over de brug komt.

Het grootste deel van die paar honderd miljoen waarover de campagneteams beschikken, wordt stukgegooid aan reclame, aan televisiereclame wel te verstaan. Een beperkt aantal van de spotjes gaat over de voortreffelijkheid van de eigen man. Als effectiever wordt het beschouwd de tegenstander weg te zetten als flapdrol, draaitol, tweedehandskracht, onbetrouwbare leugenaar, gevaar voor het land.

Onder meer in Missouri loopt nu een televisiespotje waarin Bush verdacht wordt gemaakt als vriend van de Saoedi's. Terwijl de sonore stem van de omroeper zijn werk doet, zie je Bush hand in tegenstander is geen techniek waarmee George W. Bush is begonnen. Richard Nixon was vicepresident geweest onder Eisenhower; hij waagde in 1960 de stap omhoog. John Kennedy was zijn tegenstander. Ofschoon behangen met persoonlijke charme, vertrouwde Kennedy kennelijk niet geheel en al op zichzelf. Vernietiging van de geachte opponent behoorde tot de opdracht.

hand gaan met de kroonprins van Saoedi-ArabiDe sonore stem wijst erop dat elf van de negentien kapers van 11 september Saoedi's waren. Hun regering, zegt de stem, is welvarend, machtig en corrupt. In beeld zie je een ontspannen president Bush in gesprek met de in spijkerbroek geklede ambassadeur van Saoedi-Arabiprins Bandar. De stem vraagt zich af hoe klef Bush en de Saoedi's zijn.

Ander filmpje. Je ziet grijze beelden van een jonge, glimlachende Jane Fonda. Hanoi, 1972. Noord-Vietnamese soldaten staan applaudisserend terzijde. De sonore stem laat weten dat John Kerry al in het geheim de vijand ontmoette in Parijs, nog voordat Jane Fonda deze opzocht in Hanoi. In beeld zien we gevangengenomen Amerikaanse soldaten. De stem: 'Tussen haakjes, Jane Fonda bood excuses aan voor haar activiteiten van toen, John Kerry weigert het.' In beeld verschijnt de jonge Kerry, toen als getuige in een hoorzitting van de Senaat, nu mogelijk de nieuwe president van de Verenigde Staten. Dwars over het scherm verschijnt de tekst: 'VERRAADDE ZIJN LAND'.

Newsweek bracht vorige week een omslagverhaal over de mentale staat van de campagne: 'Het is de tijd van de smerigheid in de giftigste campagne sinds de splijtende dagen van Richard Nixon, hetgeen - niet bij toeval - de laatste keer was dat het land zo verscheurd was door oorlog, cultuurverschillen en angst, en ook de laatste keer dat onze politiek zo overstroomd werd door golven van ongereguleerd geld.'

Klopt het?

Het is allemaal weinig zachtzinnig wat de mensen van Bush en Kerry laten zien. Met het klassieke onderscheid tussen onder en boven de gordel lijkt men niet bekend. Maar is het anders dan het al was? Beleven we inderdaad 'de giftigste campagne' sinds Nixon?

De gelukkige kant van het toeval wil dat in Queens, New York, in het American Museum of the Moving Image een tentoonstelling loopt over politieke televisiespotjes vanaf 1952 - we zien Ike Eisenhower weer eens, gemoedelijk, maar alleen zolang zijn gezag erkend wordt.

Het is een kleine, sobere expositie, maar groot genoeg om te kunnen vaststellen dat de filmtechniek vooruit is gegaan in de loop der jaren en dat de omgangsvormen in de Amerikaanse politiek als een constante factor zijn gericht op vernietiging van de vent die jouw plek wil innemen.

Lyndon B. Johnson kon fijn spelen met die opvatting. Als Democratisch vice-president was hij na de moord op Kennedy in november 1963 automatisch gepromoveerd tot president, maar in 1964 moest hij de hoge positie op eigen kracht veroveren. Dat was hem wel toevertrouwd.

De kenners kunnen je vertellen dat onder Johnson de mooiste, agressiefste tv-spotjes zijn gemaakt die denkbaar waren. Wereldberoemd is Daisy: een jong meisje plukt bloempjes in het veld, ze trekt aan de blaadjes en telt ze af. Ze telt onregelmatig, maar dat hindert niet. Als ze bij 1 is, ontploft op de achtergrond een bom. Het is de atoombom.

Zo bracht Johnson tot uitdrukking dat je maar beter niet op zijn conservatief-Republikeinse tegenstander kon stemmen. Dat was Barry Goldwater, een man die van zijn hart geen moordkuil maakte en pleitte voor de harde lijn. 'Extremisme', had Goldwater gezegd, 'is geen ondeugd als het bedoeld is om de vrijheid te verdedigen.' Johnson antwoordde met de visualisatie van de bom. Hij won de verkiezingen met overmacht.

Mooier is eigenlijk het filmpje Our president. Het begint al met de titel die in de roos is. Je ziet Johnson in de Oval Office; hij doet onduidelijke dingen. Dan is er de stem, het sonore geluid. Hij meldt dat de grondwet je niet vertelt wie president moet zijn; dat wordt in een democratie overgelaten aan de wijsheid van de kiezer.

'Onze presidenten waren redelijke mensen', meldt de stem. 'Ze hebben geluisterd. Ze hebben helder nagedacht en zorgvuldig gesproken. En vooral zijn ze in de uiteindelijke eenzaamheid van dit vertrek voorzichtig geweest.' Op geen moment noemt de stem de naam van Goldwater. Maar elke zin, elk woord van de tekst ging over hem.

Het direct degraderen van de

De Democraten maakten een reclamespotje waarin ze gebruikmaakten van beelden van een informele persconferentie van Eisenhower. Daar was de president onder meer gevraagd of hij een voorbeeld kon geven van een belangrijke gedachte die zijn vicepresident hem had aangereikt. Eisenhower zag anderen graag in zijn schaduw staan en zei daarom schalks: 'Geef me een week, dan bedenk ik wel iets.'

Kennedy maakte onbeschaamd gebruik van deze faux pas. 'Elke Republikeinse politicus wil je doen geloven dat Richard Nixon ervaren is', zo opende het televisiespotje. Om vervolgens Eisenhower te laten zien en af te sluiten met: 'Voor echt leiderschap, stem op senator John F. Kennedy.'

Geen tel was een poging gedaan iets te zeggen over eigen inhoudelijke opvattingen. Het reclamefilmpje ging louter en alleen om karaktermoord. Ruim veertig jaar geleden was dat. 'Smerigheid' en 'giftige campagnes' kennen in de Amerikaanse politiek een lange geschiedenis.

Meer over