Smachtende maagden, gevaarlijke liefdes

De schilder John William Waterhouse (1849-1917) was met zijn suggestie van mystiek al een van de helden van de reproductie-industrie....

Merlijn Schoonenboom

Ani kan het niet helpen, zegt ze. Als ze naar de schilderijen van John William Waterhouse kijkt, verlangt ze er gewoon naar om zelf ook in ‘nymphs places’ vol ‘fantasy and dream’ te wonen. Bezoeker Nika, even verderop in het gastenboek, brengt de lezer op de hoogte van een soortgelijke emotie. Voor haar, schrijft ze, is Waterhouse niets minder dan het ‘meest favoriete toevluchtsoord op de wereld’.

De opmerkingen van Ani en Nika zijn slechts twee van de ruim 1800 commentaren op een website gewijd aan de oude Victoriaan John William Waterhouse (1849-1917). Het zijn commentaren vol lyriek en enthousiasme, waarin vaak woorden als ‘dromen’, ‘poëtisch’ en ‘mysterieus’ gebruikt worden. Van kunsthistorische afstandelijkheid is geen sprake; elders op de website zijn de resultaten te zien van een heuse modellenwedstrijd die hier is georganiseerd: wie van de hedendaagse vrouwen zou het meest kans maken door Waterhouse te worden geschilderd? Het publiek heeft 14 inzendingen uitgekozen, die zich in foto en tekst enthousiast aan de wereld tonen.

De emoties van Ani, Nika en de honderden anderen op jwwaterhouse.com zouden de schilder vast deugd hebben gedaan. Maar hij zou er ook enigszins verbaasd over zijn geweest, gezien de pijnlijke tuimeling van interesse in zijn werk direct na zijn dood in 1917. Tijdens een Christie’s-veiling in de jaren veertig werden schilderijen van hem zelfs anoniem onder de hamer gebracht. En later, toen het allemaal weer goed kwam met de belangstelling, wist de kunstgeschiedenis nog steeds niet precies hoe hem te plaatsen, en of hij eigenlijk sowieso wel in overzichtswerken moest worden opgenomen.

Op de Amerikaanse website artrenewal.org, die zich trots omschrijft als ‘het grootste online museum op het internet’, wordt Waterhouse zelfs omschreven als een van die ‘ongelukkige’ slachtoffers van de 20ste eeuw, ‘toen in de kunst het ongetalenteerde modieus werd’. Hij behoort volgens artrenewal.org – dat zich als missie heeft gesteld niets minder dan de hele moderne kunstgeschiedenis te ‘herschrijven’ – ‘tot de grootsten’ van de kunst, die echter tot aan het eind van de 20ste eeuw ‘niet genoemd of onderwezen werden’.

Ze kunnen nu tevreden zijn, zowel de internet-romantici als de boze neo-traditionalisten. In het Groninger Museum wordt komende december de ‘grootste tentoonstelling ooit’ gehouden over Waterhouse. Voor de tentoonstelling komen bruiklenen onder andere uit Taiwan, Australië en Canada. Na Groningen reist hij door naar musea in Londen en Montreal, waarmee de tentoonstelling samen georganiseerd is.

Voor wie zich afvraagt waarom deze kunstenaar zijn eerste grote tournee uitgerekend in Groningen begint: de plek klopt helemaal. Het Groninger Museum heeft zich de laatste jaren met tentoonstellingen over de Russische schilder Repin, de Fin Akseli Gallen-Kallela en thema-exposities over Fatale Vrouwen en Russische Sprookjes succesvol opgeworpen als thuishaven van lang verfoeide meesters van 19de-eeuws figuratief drama. Je zou daarbij zelfs kunnen stellen dat deze eerste Waterhouse-expositie ook past in een recente reeks van overzichtsexposities van geestverwanten in en rond Nederland. Het Van Gogh-Museum bracht groot de Engelse pre-rafaelieten Dante Gabriel Rossetti en John Everett Millais, in Brussel werd de Belgische symbolist Ferdinand Khnopff geëerd, en in zekere zin kan ook Alphonse Mucha in de Kunsthal in dit rijtje geschaard worden.

Over de verschillen kan je boeken vol schrijven, maar tegelijk vallen ze min of meer onder de paraplu van het symbolisme, de Europese kunststroming die aan het einde van de 19de eeuw een artistiek antwoord bood op de sterke verzakelijking en onttovering van de wereld. In de museale tentoonstellingspraktijk tot de jaren negentig werden deze kunststromingen nogal over het hoofd gezien. De late 19de eeuw, dat was volgens het boekje alleen impressionisme (Monet), postexpressionisme (Van Gogh), en vanaf daar ging het in een directe lijn omhoog richting de abstracte kunst en de andere triomfen van het 20ste-eeuwse modernisme.

Noem het een esthetische golfbeweging, een verandering van smaak, of de tijdgeest. Veel komt er immers in samen. Onder kunsthistorici zoekt men de laatste tijd naarstig naar andere, ‘onbekende’ onderwerpen. In de hedendaagse kunst zijn romantiek en figuratie weer een geheel respectabele uitdrukkingsvorm geworden. Om nog maar te zwijgen van de impuls die popcultuur en internet hebben gegeven aan een gothic en fantasy-beeldtaal, waarbij de symbolistische schilderstromingen ook prima blijken te passen.

Het zou echter verkeerd zijn te veronderstellen dat zo’n ‘herontdekking’ dan ook plotseling is gegaan. Juist het genre van Waterhouse is anno 2008 nog zeker niet onomstreden. De pre-rafaelieten, waarvan Waterhouse vaak als een late pendant wordt genoemd, worden als de Engelse variant van het symbolisme gezien, maar eigenlijk vormen ze nog een slag apart: ze zijn conservatiever en sentimenteler dan de Franse of Oostenrijkse symbolisten.

Een Guardian-criticus, die zich in 2007 grondig verbaasde over de huidige populariteit van de pre-rafaelieten in Engeland, voerde een museumcurator op die de schilderijen alleen liet hangen omdat hij anders klagende ‘tienermeisjes’ achter zich aan kreeg.

Daarin ligt ook het meest opvallende bij een schilder als Waterhouse: zijn ‘herontdekking’ vond in feite al plaats lang voor de goedkeuring van de museumwereld. De ‘eerste expositie ooit’ in Groningen is eerder een bevestiging van een ontwikkeling buiten de kunstwereld. De eerste bevestiging was in 2000, toen musicalcomponist Andrew Lloyd Webber, 6,6 miljoen pond neerlegde voor het schilderij Saint Cecilia van Waterhouse, het hoogste bedrag ooit voor een Victoriaans schilderij.

En nog vóór de ‘officiële’ interesse van de musea en koopkrachtige verzamelaars, had Waterhouse zeker in de Angelsaksische wereld al een ruime fanclub, al is het maar de vraag of de fans zijn naam wisten. Waterhouse is namelijk al jaren een van de helden van het meest bescheiden segment van de culturele wereld: de reproductie-industrie, zowel via postershops op internet als in de gewone winkel. Het schilderij The Lady of Shalott (de versie uit 1888) van Waterhouse is de meest verkochte ansichtkaart in de Tate Britain in Londen.

Niet toevallig is dit schilderij dan ook een perfect voorbeeld van waarin Waterhouse goed is. Het is groot doch overzichtelijk, er staat een realistisch geschilderde vrouw op – zoals altijd jong en mooi, met een weelderige haardos – en het geheel roept, zoals een tijdgenoot het omschreef, ‘de suggestie van mystiek’ op. Het schilderij is geïnspireerd op een gedicht van de destijds zeer populaire Tennyson.

In The Lady of Shalott toont Waterhouse een vrouw die de dood letterlijk tegemoet drijft. Door een vloek leefde ze in een toren vlak bij het kasteel van koning Arthur. Ze mocht niet direct naar de wereld kijken, alleen via een spiegel. Ze ving echter een glimp op van ridder Lancelot, en werd zo door zijn schoonheid getroffen dat ze toch echt naar hem keek. De straf: ze zal sterven terwijl ze met haar boot richting Camelot vaart. Het schilderij toont de lady in wit gewaad op het moment dat ze een laatste lied zingt, een crucifix en kaarsen voor zich in de boot.

In de Waterhouse-catalogus van het Groninger Museum gaat men consciëntieus in op de diepere betekenissen van Waterhouse’ werk. Ze zijn er in overvloed, aangezien Waterhouse vrijelijk thema’s uit de klassieke en Engelse literatuur gebruikte: Homerus, Ovidius, Shakespeare, Tennyson. Hij begon daarnaast ook nog eens met het schilderen van Arthur-legendes toen men in Engeland naarstig op zoek ging naar de eigen Britishness.

Toch schrijven deze kunsthistorici dat de effectiviteit van Waterhouse’ werk er ook in schuilt dat je er eigenlijk niets van hoeft te weten. Zoals Waterhouse-specialist Peter Trippi het omschrijft, specialiseerde Waterhouse zich in zijn hoogtijdagen tussen 1890 en 1910 vooral in ‘smachtende, mild geërotiseerde maagden, wier uitzonderlijke schoonheid zowel natuurlijk als onaantastbaar is, en die in tijdloze decors poseren, die een melancholische, andere wereld oproepen’.

De twee Waterhouses die nu het bekendst zijn, kunnen dan ook makkelijk zonder de literaire aanleiding begrepen worden. The Lady of Shalott kan zowel opgevat worden als een mystieke gang (per boot) richting de ‘andere wereld’, een leven na de dood, maar ook gewoon, zoals Trippi schrijft, als een toonbeeld van de ‘gevaren van de liefde’. Het werk Hylas and the nymphs (1896) is een nog sterker staaltje van Victoriaanse dubbelzinnigheid. Volgens de oorspronkelijke mythe gaat het om de knappe jongeman Hylas, vriend van Hercules, die door zeven nimfen in het water wordt getrokken. Op het schilderij lijkt Hylas echter vrijwillig naar de halfnaakte nimfen te buigen, en het is daardoor vaak opgevat als een noodlottig einde door een teveel aan seksuele verleiding.

Niet minder interessant dan de vraag wat Waterhouse rond 1900 precies betekende, zal in december de vraag worden wat hij honderd jaar later oproept. In Groningen wordt er bijvoorbeeld nadruk op zijn ‘moderne’ kenmerken gelegd. Het is de ironie van de geschiedenis: in het grootste deel van de 20ste eeuw werd hij juist als conservatief weggezet.

Het zal dankzij zijn onmiskenbare Academieachtergrond komen. Waterhouse weet vaak precies het meest dramatische moment van de handeling uit te beelden. Hij doet dat niet via een overvolle of cryptische puzzel, maar overzichtelijk. Hij maakt dan wel gebruik van nieuwe lossere technieken, maar zonder er nu echt naar te verlangen vernieuwend over te komen. Hij is daardoor toegankelijker dan bijvoorbeeld Rossetti, die toch wat strammer werkte.

Dat nu meer nadruk wordt gelegd op zijn ‘moderne’ schilderaanpak, is vaker te zien bij museale rechtvaardigingen van enigszins omstreden kunstenaars; als een schilder alleen conservatief is dan blijft hij verdacht, maar van een moderne is een tentoonstelling prima te billijken.

Het is echter de vraag of hij door dit ‘moderne’ aspect zulke enthousiast fans als Ani en Nika op het internet gevonden zou hebben. In hun argumentatie ligt er eerder een ‘ouderwets’ verlangen naar herkenning aan hun Waterhouse-liefde ten grondslag. Zijn betoverde of vervloekte vrouwen kunnen zonder veel moeite geïnterpreteerd worden als ‘gemoedstoestanden’, die ook nu nog te begrijpen zijn. De letterlijke mythologische betekenis kan daarbij vergeten worden, terwijl de ‘suggestie van mystiek’ anno 2008 juist weer een extra aantrekkingskracht geeft.

Niet voor niets is de website johnwilliamwaterhouse.com (een andere site dan jwwaterhouse.com) onderdeel van ArtMagick, een website die zich omschrijft als ‘gewijd aan de zoektocht naar obscure en vergeten 19de-eeuwse kunstenaars, die een magische wereld van romantiek en verbeelde poëzie oproepen’.

Het voert te ver een direct verband tussen de opkomst van het internet en de hernieuwde populariteit van een oude victoriaan te veronderstellen. Maar het is zeker niet te gewaagd om het web een actieve rol toe te kennen bij de brede verspreiding buiten de musea om, net als bij andere meesters van het laat-19de-eeuwse drama.

Of, in de woorden van bezoekster Sheri op jwwaterhouse.com: ‘Dankzij deze website ontdekte ik na jarenlang zoeken, wie mijn favoriete schilderijen heeft geschilderd.’

Meer over