Sluw of onbenullig?

EEN GROOT denker zonder enig politiek benul, die in een verkeerde periode van de wereldgeschiedenis in het verkeerde land academisch garen dacht te spinnen bij de opmars van Hitlers bruine horden....

Zo zou men de betreurenswaardige misstap van Martin Heidegger kunnen samenvatten. Deze misstap werpt niettemin tot op de dag van vandaag een zware slagschaduw over zijn wijsgerige systeem, zoals onder meer vastgelegd in zijn ondoorgrondelijke, maar door filosofen veelgeprezen hoofdwerk Sein und Zeit.

Heideggers verstandsverbijstering bleek van betrekkelijk korte duur. Maar erover praten wilde hij niet, wat het stigma van zijn foute opstelling alleen maar extra kleefkracht bezorgde. Slechts één maal verbrak hij zijn stilzwijgen, en sprak hij uitvoerig met de pers. Dit gesprek met redacteuren van Der Spiegel vond in 1966 plaats, maar volgens de afspraak met Heidegger werd de neerslag ervan pas na zijn dood in 1976 gepubliceerd in het Duitse weekblad.

Nog datzelfde jaar verscheen ook een Nederlandse vertaling. Voor degenen echter die destijds Wijsgerig perspectief, jaargang 17, nummer 5 hebben gemist, is er nu een gereviseerde versie van dit spraakmakende interview verschenen. Spraakmakend omdat de wijsgeer daarin voor het eerst en voor het laatst de vele verwijten aan zijn adres trachtte te ontkrachten.

Zijn verweer heeft de meeste van zijn politieke aanklagers destijds niet kunnen overtuigen. 'Onthutsend sluw', werd zijn argumentatie genoemd, en 'meesterlijk in haar katachtige behendigheid en ontwijkingen'. De onbevangen lezer die de tekst pas nu onder ogen krijgt is geneigd het met deze kwalificaties eens te zijn.

Hoewel, sluw? De meeste aantijgingen doet Heidegger simpel af als laster en leugens of, in het gunstigste geval als ongegronde geruchten. Het enige wat in zijn voordeel pleit is dat hij op tijd - dat is: ruim voor de Tweede Wereldoorlog - kennelijk tot inkeer kwam en zich bijgevolg vanaf dat moment kritisch en argwanend gevolgd wist door de nazi's.

Kan men hem verwijten dat hij, als zovele van zijn landgenoten, lid werd van Hitlers nationaal-socialistische partij? Nauwelijks. Wél misschien dat hij dit als vooraanstaand intellectueel en wetenschapper uit volle overtuiging deed en de Führer publiekelijk uitriep tot 'de huidige en toekomstige Duitse werkelijkheid en haar wet' zelve. Maar dat laatste, voert Heidegger in het bewuste gesprek te zijner verdediging aan, zou weer niet in de gewraakte rede zijn gezegd, waarin hij het rectoraat van de Universiteit van Freiburg aanvaardde.

Die rectoraatsrede is hem het zwaarst aangerekend. Met Jacques de Visscher, die deze Nederlandse heruitgave van het Spiegel-gesprek uitvoerig inleidt, mag de lezer zich verbazen over de opmerkelijke mix van ideologisch opportunisme en nationalistische retoriek, waarmee Heidegger - we schrijven het jaar 1933 - oproept tot Arbeitsdienst, Wehrdienst en Wissensdienst als de noodzakelijke pijlers voor het voortbestaan van de bedreigde Duitse cultuur. Daarmee gaf Heidegger toch onbekommerd aan dat hij de wetenschap in dienst van de natie wilde stellen. Hij zette zich bovendien af tegen de academische vrijheid.

Sluw of gewoon onbenullig? Het lijkt anno nu verdacht veel op het laatste.

Meer over