'Slowaken zijn elke motivatie kwijt'

Vandaag en morgen zijn er in Slowakije verkiezingen, maar in Utekác hebben de partijcampagnes weinig geholpen. De bewoners hebben hun vertrouwen in de politiek verloren, sinds hun glasfabriek in de recente privatiseringsgolf ten onder ging....

Mevrouw Hoglova herinnert zich de dag maar al te goed. 'Met vrachtwagens kwamen ze Utekác binnenrijden. Dagenlang waren ze op het fabrieksterrein bezig en alles van waarde werd op de wagens geladen. Toen vertrokken ze weer. Ze lieten de fabriek leeg achter en zo eindigde voor ons het privatiseringsavontuur.'

Haar zoon Edward Hogl, 52, staat er beschaamd bij. Zeker als de dronken buurman, een Hongaarse Slowaak, in het trappengat van het flatgebouw van zijn moeder verschijnt. Het is twee uur 's middags in Utekác, een fabrieksstadje in het Slowaakse ertsgebergte. Mevrouw Hoglova's buurman is stomdronken. Veters uit zijn schoenen, z'n broek onder de vlekken. 'Iedereen werk!, beloven de politici. Laat me niet lachen', schreeuwt hij door de hal.

Vandaag en morgen zijn in Slowakije verkiezingen, maar in Utekác hebben de partijcampagnes weinig geholpen. Hoglova en haar zoon hebben hun vertrouwen voorgoed verloren, sinds de glasfabriek van Utekác in de jaren negentig werd geprivatiseerd.

Na de afscheiding van Tsjechië braken voor Slowakije nieuwe tijden aan. Staatsbedrijven kwamen in handen van ondernemers. Glasfabriek Clara, in 1787 al opgericht, werd in een paar jaar tijd leeggeroofd door onbekenden met goede connecties in Bratislava.

Edward Hogl haalt een oranje thermosfles tevoorschijn. 'Mijn hele leven heb ik de glazen vulling van thermosflessen gemaakt. Topkwaliteit. We exporteerden naar Zweden, Duitsland, Zuid-Amerika en Canada.' Sinds 1998 is Hogl werkloos en leeft hij met zijn vrouw van een uitkering van zestig euro per maand.

De fabriek is kapot, de muren brokkelen af en de twee wankele schoorstenen vormen een serieus gevaar. 'De mensen die na de oorlog de fabriek hebben gemoderniseerd, liggen begraven in de Heilige Antonius-kapel', zegt mevrouw Hoglova. 'De herinnering aan mensen op wie we trots zijn is straks het enige dat ons rest.'

Glasfabriek Clara bood in de jaren tachtig werk aan zevenhonderd van de 1260 inwoners van Utékac. Vijftien jaar later is iedereen werkloos en het inwonertal loopt met de dag terug. Hogl: 'Er is voor jongeren geen enkele toekomst meer in de Hongervallei, zoals het hier wordt genoemd. Mijn zoon is naar Bratislava vertrokken, en mijn dochter woont nu in Engeland. Gelukkig maar.'

De situatie in Utekác is illustratief voor de problemen op het Slowaakse platteland, waar de werkloosheid is gestegen naar 18 procent. Grote boosdoeners, volgens de meeste Slowaken, zijn 'de corrupte politici die de buit hebben verdeeld'.

De werkloze Miroslav Faltynek verwoordde het deze week in de Slowaakse pers kort maar krachtig: 'Onder het communisme had ik werk. Ik verloor mijn baan in de Meciar-jaren. En sinds de regering-Dzurinda kan ik de elektriciteit en de huur niet meer betalen.'

Bij de aanstaande verkiezingen zijn ze weer kandidaat. Meciar, de autoritaire leider die Slowakije in de jaren negentig na tal van corruptieschandalen internationaal een slechte naam bezorgde. Dzurinda volgde hem op in 1998, een christen-democraat die geen vuist wist te maken en zich te eenzijdig richtte op de welvaartsgroei in de steden.

'Op wie ik nu ga stemmen doet er niet meer toe', zegt Edward Hogl. 'Op deze manier gaat de Slowaakse republiek kapot, net als onze fabriek.'

Voor filmmaker Robert Kirchoff uit Bratislava was Utekác het perfecte decor voor zijn documentaire Hé, Slowaken: Wakker worden! Hij reisde vijftienduizend kilometer, langs elk dorp en gehucht, en vond in Utekác de plek voor een film over 'het Slowaakse probleem'.

Kirchoff: 'De Slowaak voelt zich niet verantwoordelijk voor zijn lot. Vandaar de titel van mijn film. Het is één kant van de zaak. Daarnaast heb ik begrip gekregen voor de mensen van Utekác. Het is niet zo dat ze zijn verlamd door nostalgie naar de communistische tijd, toen de staat en de fabriek nog voor ze zorgden. Het is pijnlijker: ze zijn elke motivatie en elk gevoel van eigenwaarde kwijt. Als arbeiders waren ze trots op hun product. Dat is ze afgenomen tijdens de zogenaamde privatiseringen.'

De 27-jarige Pato Goldschütter zegt bij de poort van de glasfabriek dat het 'desnoods in Israël' gaat proberen. Hij gaat 'in ieder geval wég'. Met z'n vrienden speelt hij soms nog gitaar in het fabriekscultuurhuis. 'Maar verder is er hier niets meer te doen. Mijn zus is naar Wenen vertrokken, en het gaat haar goed.'

In Kirchoffs film vertelt Pato Goldschütter ook over het succes van zijn zus. Als hem wordt gevraagd waarin ze zo succesvol is, valt er in de film een lange stilte. Kirchoff: 'Pato vertelde later dat zijn zus hoer was geworden. We hebben het uit de film geknipt, om zijn ouders de schande te besparen.'

Meer over