Analyse

Sleutelfiguren blikken terug op interventie in Afghanistan: ‘Vijftig jaar blijven is politiek niet realistisch, dat is de tragiek’

In de westerse interventie in Afghanistan, vanwege de verschillende aanpak tussen coalitielanden vaak een militaire kakofonie, blies Nederland vanaf het begin een deuntje mee – in regio’s als Baghlan en Uruzgan, en steden als Kunduz en Mazar-e-Sharif. Dat is allemaal weer Talibanland sinds de westerse troepen het hazenpad hebben gekozen. Hoe kijken Nederlandse politici met een sleutelrol in de besluitvorming terug?

Manschappen van de Nederlandse Bravo Compagnie rusten uit op een basis in Uruzgan, 2008.
 Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Manschappen van de Nederlandse Bravo Compagnie rusten uit op een basis in Uruzgan, 2008.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Jaap de Hoop Scheffer herinnert zich nog scherp de allereerste briefing die hij als pas aangetreden Navo-chef in 2004 kreeg op de luchtmachtbasis van Bagram. ‘Ze zeiden: meneer de secretaris-generaal, maakt u zich geen zorgen. We hebben hier en daar nog te maken met pockets of resistance (verzetshaarden, red.), maar the job is done!’ In die tijd zeiden de Amerikanen: wij richten ons op Irak, de bondgenoten op Afghanistan. Daarbij was toen heel sterk het idee: wij gaan dat land opbouwen. Vandaar dat politici later moeite kregen toen bleek dat het een oorlog was – of werd.’

De anekdote is symbolisch voor de collectieve zinsbegoocheling die optrad bij wat een bijna twintig jaar durende militaire missie zou worden. Een missie die dikwijls van aard, doel en omvang veranderde, door coalitielanden verschillend werd uitgevoerd en – behalve honderden miljarden – veel bloed, zweet en tranen kostte. De Hoop Scheffer: ‘De EU heeft nooit een serieus debat over Afghanistan gevoerd, de Navo speelde eigenlijk ook een bescheiden rol. Ieder land is door zijn eigen rietje naar Afghanistan blijven kijken. Voor Nederland was dat Uruzgan.’

Refererend aan (oud-)militairen die zeggen dat je wel vijftig jaar in een land als Afghanistan moet blijven om echte verandering teweeg te brengen, zegt Wouter Bos (van 2007 tot 2010 vicepremier in het kabinet-Balkenende): ‘Veteranen hebben gelijk dat je misschien zolang moet blijven om iets te bewerkstelligen, maar de tragiek is dat dat politiek niet realistisch is. En op het moment dat je dat tevoren beseft, is het natuurlijk de vraag of je er wel aan moet beginnen, zeker in een land dat zover van ons af staat.’

Bos is sceptischer geworden over de vraag of Nederland mee moet doen aan ‘dit soort regimeveranderende interventies in landen die qua moderniteit heel ver van ons af staan. Maar als je zegt: we kunnen dit niet als samenleving, dan laat je veel mensen aan hun lot over. Dat is een vreselijke constatering.’

‘Afgrijzen en verbijstering’

Han ten Broeke, van 2006 tot 2018 lid van de VVD-fractie in de Tweede Kamer, kijkt ‘met een mengeling van afgrijzen en verbijstering’ naar wat er nu gebeurt. ‘Ik snap dat de Amerikanen deze missie willen beëindigen, maar het lijkt overhaast. Aan de andere kant: als je langer zou zijn gebleven, was het resultaat dan echt anders geweest?’

Hij ziet in Afghanistan ook ‘het failliet van de Hollandse maakbaarheidsgedachte’. ‘De gedachte dat je Afghanistan, een land dat deels in de Middeleeuwen leeft en tribaal georganiseerd is, in korte tijd een westers model kunt opleggen, is onzin.’ Ook Ten Broeke zegt dat hij in de loop der jaren ‘kritischer’ is geworden over ‘het toch al nuchtere beeld’ dat hij had van dit soort interventies. Hij hamert op drie dingen: je moet geen einddatum maar een ‘eindstaat’ definiëren, je doelen zo minimalistisch mogelijk omschrijven, en soms accepteren dat je ergens zit vanwege je bondgenoten, of dat nu Amerika is of Duitsland.

Het feit dat Nederland en andere Europese landen niet alleen bondgenoten maar ook militair afhankelijk van de VS zijn, is een belangrijke verklaring voor hun lange aanwezigheid in Afghanistan. Maar dit werd, behalve direct na de aanslagen van 9/11, niet actief uitgedragen – net zomin als het feit dat er in delen van Afghanistan simpelweg sprake bleef van een oorlogssituatie.

‘In Nederland is het enkel ergens naartoe gaan om te vechten en te doden politiek te mager’, zegt Bos daarover. ‘We willen het altijd omkleden met humanitaire aspecten, daar zit een element van marketing in. Maar Nederland heeft wel degelijk school gemaakt met de geïntegreerde 3D-benadering (defense, diplomacy, development, red.), het pure vechten combineren met humanitaire taken, dus daar moeten we niet te geringschattend over doen.’

Boulevard of broken dreams

Dat beaamt Bram van Ojik, namens GroenLinks vanaf 2012 betrokken bij de besluitvorming over Afghanistan. Gevraagd of de missie een grote ster krijgt op de boulevard of broken dreams van het interventionisme, zegt hij: ‘Dat weet ik niet, hoor. Je ziet opnieuw dat militaire operaties niet een probleem kunnen oplossen. Tijdelijk heeft het geholpen om beperkte doelen te bereiken – de omverwerping van de Taliban in 2001 – maar op lange termijn moeten diplomatie en ontwikkelingshulp de oplossing bieden.’

Volgens Van Ojik zal de totale duur van de betrokkenheid bij Afghanistan inderdaad in de buurt van de 40 of 50 jaar komen. ‘Daarin zal de militaire component altijd relatief kort zijn, omdat je lokale tegenstander altijd een langere adem zal hebben. Daarom moet de militaire component beperkt zijn, qua doelen en qua duur. Maar voor die andere doelen moet je niet in kortademige Haagse coalities denken en moet Nederland dus maximaal betrokken blijven bij het land.’

Het oprukken van de Taliban verrast hem niet, wel de ‘huiveringwekkende’ snelheid waarmee het gebeurt. ‘Het hoeft niet automatisch te leiden tot een eindsituatie waarin alles verloren is. De Taliban versterken hun positie aan de onderhandelingstafel, maar het eindigt, hoop ik, in onderhandelingen over machtsdeling.’

Partijen als de SP op links en de PVV op rechts hebben vanaf het begin de interventie in Afghanistan vierkant afgewezen. Maar voor de ‘meedenkers’ bij bijvoorbeeld GroenLinks en de PvdA lag dat anders, wat – zo beamen Bos en Van Ojik – op verschillende momenten tot felle interne debatten leidde. Maar terugkijkend hebben ze nergens spijt van. Bos kwam enorm onder vuur te liggen toen in 2009 de druk internationaal en vanuit de coalitie enorm werd opgevoerd om in Uruzgan te blijven. Maar de PvdA hield haar poot stijf, en uiteindelijk viel het kabinet erover.

Bos: ‘In essentie was dat heel eenvoudig. Onze partij was diep verdeeld hierover. Dat had ook te maken met de nasleep van het Bush-regime en de vraag waarvoor je daar eigenlijk streed. Het compromis was in 2007 helder: we blijven, maar nog voor één termijn. In 2009 en 2010 vonden coalitiegenoten dat ik die belofte moest breken, maar dat weigerde ik.’

Politiek theater

GroenLinks staat vooral bekend om het politieke theater waarmee de politiemissie in Kunduz (2011-2013) gepaard ging. Van Ojik erkent dat zijn partij ‘een aantal eisen aan die missie heeft gesteld die later niet strookten met de werkelijkheid’ – maar dat gold niet voor allemaal. Zoals de noodzaak de positie van vrouwen te verbeteren binnen politie en rechterlijke macht: ‘Daar is echt wel wat bereikt.’

Ten Broeke denkt met afgrijzen terug aan de Kunduz-missie, ‘waarbij het kabinet zich in allerlei bochten moest wringen om de linkse partijen mee te krijgen’. Hij sprak destijds van de ‘enkelbanden van Voordewind’, verwijzend naar de eis van onder andere de ChristenUnie dat erop moest worden toegezien dat opgeleide agenten niet buiten Kunduz zouden opereren. Maar Van Ojik wijst erop dat de missie in handen was een VVD-premier (Mark Rutte) en VVD-minister van Buitenlandse Zaken (Uri Rosenthal). ‘Als de Kamer onmogelijke eisen stelde, had Rutte dat moeten zeggen.’

Toch zal de ervaring met Afghanistan, die nu zo’n dramatisch einde kent, ook in Den Haag blijvende impact hebben. ‘De grote les die wij leerden in Srebrenica’, zegt Wouter Bos, ‘is dat enkel morele verontwaardiging niet voldoende is om de wapens op te nemen. Je moet een haalbaar plan hebben. Iets daarvan speelt nu ook in de afwegingen rond Afghanistan.’

De Hoop Scheffer ziet in het ‘ongelukkige’ en ‘zonder overleg met bondgenoten’ genomen Amerikaanse besluit van een totale terugtrekking twee hoofdlijnen: de moeite die democratieën met hun politieke hijgerigheid en verkiezingen hebben met langetermijnbeleid, en de ‘fundamenteel veranderde’ positie van de Amerikanen. Zoals Ten Broeke het formuleert: ‘We moeten ons eindelijk gaan realiseren dat de VS een gepensioneerde politieman zijn die zich niet meer naar elke achterbuurt van de wereld laat sturen om onze veiligheid te dienen.’

‘Fluiten in het donker’

Dat laatste betekent dat juist voor de Europeanen de komende jaren nog veel geworsteld zal worden met complexe uitdagingen in de buurt, zoals de Sahel. Maar De Hoop Scheffer, die 19 jaar geleden de tweede lichting Nederlandse militairen naar Afghanistan stuurde, vindt een discussie over de voor- en nadelen van het interventionisme voor ons land niet langer relevant. De krijgsmacht die aan het begin van de Afghanistan-interventie nog bestond, is bijna geheel wegbezuinigd. ‘Zo’n debat is fluiten in het donker als je een armzalige krijgsmacht hebt die verder niets meer kan. Zo maken we het in Nederland makkelijk voor onszelf: we kunnen voor zulke missies niet eens meer worden uitgenodigd.’

Los daarvan is er nog de vraag of je militairen nog wel naar verre gebieden kunt sturen als ze daar doorkrijgen dat lokale helpers, zoals tolken en bewakers, nadien een helletocht door de Nederlandse bureaucratie wacht. ‘Ronduit kafkaësk’, noemt Van Ojik dat. Volgens Ten Broeke toont dit de ‘Hollandse benepenheid die je vaker ziet als Nederland in grote geopolitieke situaties terechtkomt. ‘Het roept de vraag op of onze politiek wel volwassen genoeg is voor dit soort operaties.’

KAMER TERUG VAN RECES OM TOLKEN

De Tweede Kamer onderbreekt aanstaande dinsdag het reces voor een debat over de situatie in Afghanistan en de tolken die daar voor Nederland hebben gewerkt. Een voorstel van D66 om daarover te debatteren met de betrokken bewindslieden kan rekenen op steun van een meerderheid van de Kamer.

Van de 273 tolken die voor Nederland hebben gewerkt zijn er nu zo’n 110 met hun gezin naar Nederland gehaald, zei demissionair defensieminister Ank Bijleveld eerder vrijdag. De rest hoopt ze ‘versneld’ naar Nederland te kunnen halen.

Verscheidene partijen in de Tweede Kamer vinden dat Nederland niet alleen Afghaanse tolken maar ook anderen die de Nederlandse missie in Afghanistan hielpen, moet beschermen. Onder meer coalitiepartijen D66 en ChristenUnie hebben Bijleveld gevraagd of juristen of beveiligers die Nederland hebben geholpen asiel verdienen, net zoals de tolken.

Het ministerie van Defensie zei eerder niet van plan te zijn meer groepen toe te laten, omdat het tot een ‘niet-beheersbare toename’ van asielaanvragen zou leiden. Tolken komen wel in aanmerking voor asiel, omdat de Taliban wraak op hen willen nemen wegens hun samenwerking met buitenlandse machten.

Meer over