Interview

Slachtoffer groepsmishandeling: ‘Ik was het lijdend voorwerp van hun puberale dadendrang’

Als jonge jongen werd hij met grof geweld in elkaar geslagen door een groep jongens en meisjes. Politiemedewerker Willem Hinskens (39) weet hoe vernederend groepsmishandeling is. Ook nu staat het weer volop in de belangstelling door incidenten in Mallorca en Amstelveen. ‘Mijn verzet moest gebroken.’ Voor het eerst vertelt hij zijn verhaal.

Willem Hinskens: ‘Die mishandeling is heel lang – en misschien onbewust nog steeds – bepalend geweest voor hoe ik dingen doe en wie ik ben.’ Beeld Jiri Büller
Willem Hinskens: ‘Die mishandeling is heel lang – en misschien onbewust nog steeds – bepalend geweest voor hoe ik dingen doe en wie ik ben.’Beeld Jiri Büller

‘Op mijn 13de werd ik in elkaar geslagen. Vijftien leeftijdgenootjes, jongens en meisjes, namen me te grazen. Ze sloegen me, schopten en vernederden me. Ik was nog jong en stond met een vriendje en mijn twee nog jongere broers te vissen bij een vijver in Colmschate, een dorp dat destijds nog niet door Deventer was opgeslokt. Ik weet nog goed hoe ik de groep zag aankomen en direct voelde dat het mis was. Er ging dreiging van hen uit. Ze waren op oorlogspad. We konden ons niet snel uit de voeten maken, want dan zouden we langs die groep moeten; er was maar één uitweg. Dus bleven we staan. We waren stil, tuurden met z’n vieren naar de dobbers en hoopten dat ze voorbij zouden lopen. Maar dat deden ze niet.

‘De jongens en meisjes verzamelden zich om ons heen. ‘Hoe heet je?’, vroeg een van de meisjes. Ik weet niet eens meer of zij zich specifiek tot mij richtte, maar ik gaf wel antwoord. ‘Waar woon je? Waar ga je naar school?’ Er volgden meer vragen die ik zichtbaar nerveus moet hebben beantwoord. Ik weet niet meer precies wat ik heb gezegd, maar in een van mijn antwoorden vonden ze aanleiding om de aanval in te zetten – de vrijbrief om te doen wat ze toch al van plan waren. Ze probeerden me in het water te duwen, maar ik verzette me. Ik had net een nieuwe jas en er zaten Gameboy-spellen in mijn zak. Die mochten absoluut niet nat worden.

‘Ze kregen me er niet in en al snel volgden de eerste klappen en schoppen. Mijn verzet moest gebroken. Ze wisselden elkaar met aanvallen af en mochten vooral niet voor elkaar onderdoen. Ik was het lijdend voorwerp van hun puberale dadendrang. Als je niet sloeg, was je een mietje. Ik werd met mijn eigen schepnet geslagen. Op enig moment leek het te stoppen. Een jongen deed alsof hij me in bescherming nam. Hij riep de anderen op te stoppen en vroeg me hoe het ging. Heel even liet ik mijn verdediging zakken. De jongen gaf me een kopstoot. De aanval ging door.

Wilt u dit verhaal liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

‘Gaat het?, was alles dat hij vroeg’

‘Het leek een eeuwigheid te duren voordat het stopte. De groep trok verder en liet me achter op het veld. Mijn vriend Robert en mijn broertjes zag ik nergens. Ik pakte de hengels, het schepnet, het zakje visvoer en onze plastic zak met boterhammen en pakjes drinken, en liep terug naar het huis van Robert. Daarbij kwam ik langs een grote man die van een afstand had staan kijken en niets had gedaan. ‘Gaat het?’, was alles dat hij vroeg.

‘In Roberts huis belde ik mijn moeder en zei dat het allemaal wel meeviel. Thuis zag ze dat dat niet zo was en moest ik direct naar de huisarts. Mijn beide ogen zaten dicht. Dankzij de plaatjesbeugel had ik mijn tanden nog, maar de binnenkant van mijn mond was kapot. In mijn gezicht en over mijn hele lijf had ik bloeduitstortingen en kneuzingen.

‘Na de huisarts nam mijn vader me mee naar de politie. Ik vertelde wat er was gebeurd en ook mijn vriend en broers legden verklaringen af. De lokale krant schreef op de voorpagina over de mishandeling en riep getuigen – onder anderen de man die had staan kijken – op zich te melden. Al snel bleek dat een van de jongens uit de groep een vriend van mijn oudste broer was. Mijn broer had hem eerder dat jaar geholpen toen het thuis en op school niet goed ging met hem. Toen hij hoorde dat ik het broertje van zijn vriend was, gaf hij alle namen aan de politie.

‘Ik voelde me kwetsbaar en klein’

‘Na een paar weken moest ik weer naar school. Ik wilde er niet over praten, en als het dan toch moest vertelde ik dat ze me niet in het water hadden gekregen. Ik had niet gesmeekt en was blijven staan. Op school was ik het liefst opgegaan in de alledaagse dingen. Ik had gewild dat niemand had geweten wat er was gebeurd. Maar dat kon natuurlijk niet.

‘Ik herinner me nog heel goed het moment waarop de decaan de klas hierover ging vertellen. Ik zat in m’n eentje op een bank in de gymzaal. Midden in die grote zaal stonden de decaan en de gymleraar achter me, tegenover me op de banken tegen de muur zaten al mijn klasgenoten naar me te kijken. De decaan vertelde wat er was gebeurd en vroeg mijn klasgenoten rekening met me te houden en aardig voor me te zijn. De decaan deed wat hij moest doen, denk ik, maar ik voelde me kwetsbaar en klein. Ik schaamde me.

‘Nu, zoveel jaren later, denk ik zelden aan wat er toen is gebeurd. Tegelijkertijd is die mishandeling heel lang – en misschien onbewust nog steeds – bepalend geweest voor hoe ik dingen doe en wie ik ben. Lang ging ik grote groepen of onoverzichtelijke situaties uit de weg. Zeker kort na de mishandeling wilde ik niet in het middelpunt van de belangstelling staan. Ik kon er slecht tegen als de ogen op mij waren gericht, of als mensen me zielig of kwetsbaar vonden.

‘Iedereen kijkt via sociale media mee’

‘Dat ik er nu, zoveel jaren later, toch weer mee bezig ben, is omdat ik hier bij de politie – ik ben programmaleider 'Bouwen aan Vertrouwen’ bij de Nationale Politie – steeds vaker filmbeelden zie van jongeren die hetzelfde overkomt. Kinderen nog, die een grasveldje over worden gejaagd. Die worden geslagen en geschopt, in een struik vallen en waar een groep wilden bovenop duikt. Onder luide aanmoediging van hun nog laffere vrienden. De filmpjes vinden snel hun weg naar sociale media en worden veel gedeeld. Ook ik zit ernaar te kijken.

‘De hele school, de voetbalclub, je ouders: iedereen kijkt mee. Tot in de eeuwigheid kunnen mensen – bekenden en volslagen onbekenden – je kwetsbaarheid en paniek terugzien; hoe je vroeg om alsjeblieft te stoppen. Waarom sta je erbij en kijk je ernaar? Wat maakt je zo laf dat je niets doet, maar wel filmt? Hélp zo iemand. En stop met het verspreiden van die filmpjes. Verplaats je eens in wat dat voor een slachtoffer betekent en hoe dat doorwerkt. Het is vernederend. Iedere keer weer.

‘Het was vals, doortrapt’

‘De jongens en meisjes die mij in elkaar sloegen, werden gepakt. Ze hadden in die maanden veel meer slachtoffers gemaakt en ook die meldden zich bij de politie. Later hoorde ik van mijn ouders, die naar de rechtszaak waren geweest, dat twee meisjes elkaar tegen de schenen hadden geschopt om met de blauwe plekken hun ouders en de politie ervan te overtuigen dat ik was begonnen. Dat was vals. Het is doortrapt, berekenend. Eerst trap je me in elkaar en daarna probeer je mij de schuld te geven. Van alles wat er was gebeurd, vond ik dat nog het ergst.’

De hoofddaders, allen minderjarig, werden door een kinderrechter veroordeeld voor ‘het openlijk met verenigde krachten plegen van geweld tegen personen’. Ze kregen geldboetes oplopend tot ruim 250 euro (destijds 500 gulden), werden tot maximaal een half jaar in tuchtscholen geplaatst en moesten voor het Bureau Alternatieve Sancties Minderjarigen tot 80 uur dienstverlening doen, inclusief een cursus Slachtoffer in beeld.

Mallorca: Carlo overlijdt na trappen tegen zijn hoofd

De 27-jarige Waddinxvener Carlo Heuvelman kreeg in de nacht van 13 op 14 juli trappen tegen zijn hoofd tijdens een vechtpartij op het Spaanse eiland Mallorca. Hij belandde op de intensive care en overleed kort daarna aan zijn verwondingen. Heuvelman werd met vier andere jongens aangevallen door een groep landgenoten.

De vermoedelijke daders zijn tussen de 18 en 20 jaar oud, afkomstig uit Hilversum en Bussum. Toen bleek welke schade ze hadden aangericht, vluchtten zij halsoverkop naar Nederland, om uit handen te blijven van de Spaanse justitie. Een van de jongens bleef achter omdat hij nog de sleutel van de villa moest inleveren. Hij werd gearresteerd maar niet lang daarna vrijgelaten. Op camerabeelden was te zien was dat hij geen klappen had uitgedeeld.

De Spaanse autoriteiten hebben de zaak hebben overgedragen aan het Openbaar Ministerie in Nederland, waardoor de verdachten hier vervolgd kunnen worden. Bij monde van advocaat Jaap-Willem Roozemond liet een van de verdachten weten zich te hebben aangegeven bij de politie.

Amstelveen: Frédérique door jongens mishandeld

De 14-jarige Frédérique Brink werd afgelopen maandag door meerdere jongens mishandeld in een speeltuin in haar woonplaats Amstelveen. Ze hield er een gebroken neus en een kaakfractuur aan over. Ook verloor ze enkele tanden.

Haar vader plaatste een foto van zijn toegetakelde dochter op LinkedIn, waarbij hij schreef dat Frédérique geen antwoord wilde geven op de vraag of ze een jongen of meisje is. ‘Dat maakt toch niet uit’, zou ze geantwoord hebben. ‘Ik ben wie ik ben, en jij mag zijn wie je wil zijn.’ Tegen NH Nieuws zei haar vader: ‘Mijn kind Frédérique is niet transgender, maar zegt gewoon dat ze is wie ze is.’

Een politiewoordvoerder sprak van lhbti-gerelateerd geweld. De politie is op zoek naar vier tot vijf jongens tussen de 11 en 15 jaar. Eén 14-jarige jongen uit Amstelveen is inmiddels aangehouden. Frédérique herstelt momenteel thuis bij haar familie. Na de media-aandacht ontving ze veel steunbetuigingen.