Skiën bij de Ossi's

HET PISTELEVEN IS ER ONGEPOLIJST EN HET RUIKT ER NOG NAAR DE DDR. MAAR SKIËN KÚN JE IN OBERWIESENTHAL...

Een Berlijner zal niet gauw ergens van opkijken. Toch kun je in het westelijke stadsdeel wel enig opzien baren met de terloopse mededeling dat je in Oberwiesenthal naar de wintersport gaat - gesteld dat het bestaan van dit oord überhaupt bekend is.

De WestBerlijner die zich de weelde van een wintersportvakantie kan veroorloven, gaat immers naar Beieren of Oostenrijk. Een enkeling rijdt door naar Zwitserland, al lijkt dat land hier weinig sympathie te genieten.

Maar Oberwiesenthal? In het Ertsgebergte, deelstaat Saksen? Drieënhalf uur rijden van Berlijn, even voorbij Chemnitz? De vroegere Karl-Marx-Stadt? Dat wás de DDR, en dat ís de DDR. En in de DDR, bij de Ossi's, heeft een 'Wessi' in beginsel niets te zoeken. Zelfs niet om zich ervan te vergewissen dat na de Duitse hereniging wel degelijk bloeiende landschappen in het oosten zijn ontstaan.

De statistische werkelijkheid pleit niet meteen voor Oberwiesenthal. De hoogste top in de omgeving, die van de Fichtelberg, reikt tot 1214 meter. De skigenoegens beginnen bij 900 meter. En wie wel eens heeft geworsteld met het trauma van een groene wintersportvakantie, weet dat op deze hoogte geen sneeuwzekerheid kan worden geboden. De bewoners van het plaatsje - stuk voor stuk chauvinisten, zo lijkt het - weten echter beter; van oktober tot in maart kan er worden geskied. Vaak onder optimale omstandigheden, soms onder suboptimale omstandigheden. Maar skiën kún je er.

De faciliteiten zijn er naar. Er zijn niet zo veel liften in Oberwiesenthal: zeven slechts. Maar ze wekken allemaal de indruk in het recente verleden te zijn opgeleverd. En de pistes, die betrekkelijk weinig uitdagingen bieden voor de doodsverachters, worden continu geprepapeerd. Al deze investeringen lonen kennelijk. En Oberwiesenthal ziet een grote toekomst voor zichzelf weggelegd. Aan de 'Tsjechische kant' van de Fichtelberg is nog ruimte voor skipistes en nieuwe hotels. En deze zullen er ook komen, want er zijn veel werklozen in Saksen.

Anders dan de nogal steriele skioorden in de Franse en de Zwitserse Alpen, wekt Oberwiesenthal ook niet de indruk zijn bestaan louter aan het skivertier te ontlenen. Er staan huizenblokken zoals ze overal in het Oost-Duitse laagland staan. En er staat een fabriek, al wordt zelfs bij nadere inspectie niet helemaal duidelijk of die nog in bedrijf is. Zijn torenhoge rookpijp herinnert in elk geval aan het industrieel elan van vervlogen dagen.

Ook in het toeristisch centrum is de hand van DDR-planologen nog zichtbaar. Noch de schaal, noch de ligging van de voormalige staatshotels getuigt van veel consideratie met de glooiende lieflijkheid van de omgeving. Maar inmiddels doet hun gedateerde moderniteit charmant aan.

Neem hotel Birkenhof, dat tegenwoordig door Best Western wordt geëxploiteerd. De gevel is versierd met gestileerde wintersporttaferelen. De hal wordt verlicht door glimmende armaturen waar de mensen zo'n dertig jaar geleden dol op waren. Op de wanden van de enorme eetzaal figureren boeren, vissers en jagers - de proletariërs uit de preindustriële tijd.

De kamers zijn (de kindersuites uitgezonderd) naar huidige maatstaven wat te klein. Maar daarmee zijn de prijzen weer fijn in overeenstemming. Je moet in hotel Birkenhof alleen niet van de uit 1968 daterende lift gebruik willen maken. Rondom inen uitchecktijden kan de wachttijd oplopen tot twintig minuten - wat toch wat veel is voor een hotel met vijf verdiepingen. De gelaten reacties van de andere wachtenden doen vermoeden dat de meeste van hen de socialistische jaren nog bewust hebben meegemaakt.

De uitbaters van de kleine hotels en pensions gaan er prat op ook ten tijde van de DDR hun zelfstandigheid te hebben behouden. De foto's in de gelagkamer van pension König (sinds 1925 familiebezit, meldt de brochure als voornaamste verkoopargument) getuigen van deze trots. Ze tonen de feestelijke samenkomsten waarvan König al in het grijze verleden het natuurlijke middelpunt vormde.

Het lieflijke Haus Sonnenblick, een door naaldbomen omgeven chalet, was vermoedelijk te klein om in een 'volkseigenen Betrieb' te worden omgezet; bij de opbouw van de plaatselijke toeristenindustrie is het wellicht over het hoofd gezien. Tot voor kort moesten de gasten gebruik maken van een gezamenlijke wc. Maar nu is elk van de drie kamers voorzien van het meest noodzakelijke sanitaire gerief. Wellicht om te ontkomen aan een van overheidswege opgelegde sluiting.

De intimiteit van Haus Sonnenblick doet weldadig aan na een verblijf in een voormalig staatshotel. De verwachtingen die de buitenkant wekt, worden binnen echter niet in alle opzichten waargemaakt. Wat vooral opvalt, is de indringende zuurkoolgeur die vermoedelijk pas bij de sloop van het pandje kan worden verdreven. De wanden zijn donkerbruin gebeitst. Aanvankelijk lijkt dat nog bij te dragen aan de geborgenheid van de toch al krap bemeten kamers, maar na verloop van enige tijd gaat er een deprimerende invloed van uit.

De gordijnrails van kamer 2 blijkt niet berekend op het gewicht van een vochtig skijack. En na twee overnachtingen lijdt een van ons aan een huiduitslag die best eens zou kunnen zijn veroorzaakt door overgevoeligheid voor huismijt. Want kraakhelder is het niet in Haus Sonnenblick. Maar wel charmant. Voor wie het wil zien. En betrekkelijk goedkoop: 60 euro per nacht voor een tweepersoonskamer die door een guirlande van ijspegels uitzicht biedt op een sleehelling.

Het pisteleven in Oberwiesenthal is even ongepolijst. De skiërs gaan overwegend sober gekleed. Het meest uitbundige attribuut is de muts die is gemodelleerd naar de hanenkam of de Gotische helm. De mensen dringen een beetje voor bij de skilift, zoals ze dat ook elders doen. Ze roken vaak. En ze maken een praatje met elkaar als ze zich naar boven laten trekken.

De alpiene avantgarde wordt, ook hier, gevormd door de snowboarders. Ze moeten vaak kou lijden. Want de kledingkeuze lijkt niet in de eerste plaats te zijn ingegeven door praktische overwegingen. De broeken slobberen om de benen. De katoenen jassen nemen lichaamsvocht en smeltwater in zich op. De snowboarders transformeren de gewatteerde piste in een soort loopgravenlandschap, en dwingen de skiërs soms tot avontuurlijker afdalingen dan ze lief is.

De meeste bezoekers zijn dagjesmensen. Bij het vallen van de avond gaan ze weer naar huis. Omstreeks half vijf hebben de autochtone Oberwiesenthalers en de hotelgasten de pistes nog even voor zichzelf. Vanaf de helling zien zij, tot hun grote voldoening, een stoet van auto's herwaarts trekken.

Bij de aprèsski komen zij elkaar weer tegen, in de blokhut naast de snowboardschool, waaruit tot diep in de avond ongedempte hardrock opklinkt. De gasten praten met elkaar alsof ze ruzie hebben, wat zelden zo is.

Anderen gaan naar König, de plaatselijke taartjesspecialist. Op de idyllische Markt, 'het centrale plein', draait geruisloos de carrousel met de houten figuurtjes die het beeldmerk vormen van het Ertsgebergte. 's Avonds kan er weer worden geskied. Aan de voet van de hel verlichte piste worden worstjes gebraden, en verleidt een plaatselijke entertainer de passanten tot deelname aan een quiz. Om negen uur houden de liften ermee op, en rukken rupsvoertuigen uit om de sporen van de snowboarders uit te wissen.

Meer over