Sketches en typetjes

Erasmus schreef zijn Colloquia uit didactische overwegingen. Aan de hand van alledaagse gesprekken en op lichte toon wilde hij de lezer fatsoenlijk Latijn bijbrengen, die taal zuiveren van middeleeuwse vervuiling....

ER ZIT IETS dubbelhartigs in de Nederlandse omgang met Erasmus. Van alle schrijvers die de Lage Landen hebben voorgebracht, is hij de beroemdste: er is geen cultuurtaal, of er is ooit wel iets van zijn werk in vertaald en in menige Europese boekhandel kun je een of meer van zijn boeken direct in de landstaal kopen, in een goedkope pocketuitgave en dikwijls zelfs in een serieuze editie, compleet met leeslint en voetnoten. Zijn rol in de Noordelijke Renaissance, zijn centrale plaats in het Europa van de eerste helft van de zestiende eeuw, het Europa van de Reformatie, wordt door niemand betwijfeld.

Van die bekendheid, van dat aanzien, van het vertrouwen dat zijn naam inboezemt, wordt hier gretig gebruik gemaakt: er is een universiteit naar hem genoemd, een culturele prijs, een brug en legio ondernemingen en initiatieven, nu en in het verleden. Zeg Erasmus en het zit wel goed met je corporate image.

Maar hem lézen? Blijvend onderzoeken wat hij nu precies te berde heeft gebracht en daar een verhouding toe vinden? Zijn werk deel laten uitmaken van ieder serieus lesprogramma van al was het maar het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, opdat iedere burger er vertrouwd mee raakt, ongeveer zoals je in Engeland niet van school kunt komen zonder ooit te zijn onderhouden over Shakespeare of in Duitsland over Goethe?

Dat gaat in een land waar het onderwijs getiranniseerd wordt door de ideologen van het minimalisme en de zelfontplooiing vanzelfsprekend te ver. Goede sier maken met zijn naam is een, weten waar die voor staat iets geheel anders. In de vijf eeuwen die sedert zijn tijd van leven zijn verstreken, is welbeschouwd opvallend weinig van zijn werk in het Nederlands vertaald en tot op de huidige dag is er in feite verbijsterend weinig van beschikbaar voor een grote groep lezers. Dat duidt op een indrukwekkend gebrek aan belangstelling, op een bijna trots volgehouden negeren.

Eigenlijk heeft alleen De lof der zotheid het gered: die is, sinds het einde van de zestiende eeuw, vrijwel onafgebroken in een Nederlandse editie voorhanden geweest en in iedere eeuw, behalve de achttiende, weleens opnieuw vertaald; onlangs zijn zelfs twee nieuwe vertalingen verschenen. In ieder antiquariaat kun je er moeiteloos voor een habbekrats twee, drie verschillende uitgaven van vinden. Dat heeft misschien, behalve met de reputatie, ook met het karakter van dat boek te maken. Het is geestig en onderhoudend en het is, zoveel eeuwen nadat het geschreven werd, nog altijd fris en toegankelijk. Als het niet oorspronkelijk in het Latijn geschreven was, zou je het een 'volksboek' moeten noemen - en de schrijver ervan een 'volksschrijver'.

Maar of het daar werkelijk zijn duurzame succes aan ontleent, is een vraag die zich krachtig opdringt aan wie nu de net uitgekomen vertaling van de Colloquia van Erasmus ter hand neemt, de Gesprekken, die het eerste deel vormen van de eerste Nederlandse editie van zijn Verzameld Werk - of Een portret in brieven, een kleine bloemlezing uit zijn omvangrijke correspondentie, eveneens net uit. Die Colloquia zijn nooit eerder in een serieuze Nederlandse editie beschikbaar geweest, al heeft de Wereldbibliotheek daar, voor de Tweede Wereldoorlog, een niet onverdienstelijk begin mee gemaakt door na een eerste bloemlezing eruit, Een twaalftal samenspraken, daar tot driemaal toe een vervolg op te publiceren (Een tweede twaalftal samenspraken, enzovoort; tussen 1906 en 1939).

Dat waren er maar achtenveertig, gekuist en bekort, en dat staat in geen verhouding tot het totaal, kwantitatief noch kwalitatief. Met de brieven is het nog beroerder gesteld: er is een oudere uitgave met de brieven uit een jaar, 1521, in vertaling, er is hier en daar nog wel een andere verdwaalde brief afgedrukt - maar daar bleef het bij. Wie in ernst kennis wilde nemen van wat Erasmus in de Colloquia had beweerd, of zijn correspondentie wilde lezen, moest Latijn leren - of Duits, Engels of Frans. De grote Engelstalige uitgave van de Colloquies, die de University of Chicago Press 35 jaar geleden liet maken, of de achtdelige Duitse uitgave - die tweetalig is - werden de uitwijkplaats voor de doorzetters.

Aan dat systematische veronachtzamen van het werk van Erasmus, in weerwil van zijn grote bekendheid, zit iets raadselachtigs. Dikwijls is dat weg-verklaard door erop te wijzen dat Erasmus in het Latijn schreef en dus eigenlijk geen deel uitmaakte van de Nederlandse letteren en dat hij bovendien gezien moest worden als een Europese auteur, een auteur die de beperkingen van een nationale cultuur al ontstegen was voordat die nationale cultuur goed en wel was uitgekristalliseerd. Voor zover hij Nederlander had kunnen zijn, was hij het niet - en dus kreeg hij zijn trekken thuis. Nog altijd moet je buitenlandse letterkundige ignoranten veel uitleggen als je erop wijst dat zij wel degelijk een Nederlandse schrijver kennen - Erasmus. Net zomin als wij, zien zij hem als een Nederlands schrijver. Dat lot deelt Eramus met Anne Frank, ook zo'n auteur die iedereen gelezen heeft en vrijwel niemand als Nederlands beschouwt.

Erasmus is van Europa, Anne Frank is van de wereld; wij zijn er niet verantwoordelijk voor en met de gevolgen voor welwillendheid en tourisme die hun reputaties teweegbrengen redden wij ons hier ondertussen uitstekend.

Maar wie zich in Erasmus' Gesprekken en Brieven verdiept, verbaast zich juist onophoudelijk over de ernstig Nederlandse karaktertrekken die daarin aan het licht treden. Zij maken stuk voor stuk een ongemeen vertrouwde, bijna huiselijk bekende indruk. Ja, hier is iemand aan het woord die in zijn jonge, vormende jaren, de geest van de Lage Landen had ingeademd, iemand die de toon van de Nederlandse literatuur al te pakken had voordat die goed en wel was uitgevonden - de geest van ironie, spotten, plagen, betweterij; de wereld en haar helden niet zo serieus nemen, de geest van het kleine en alledaagse die tot op de huidige dag in de stukjesschrijverij hangt, die pieremachochel die het vlaggenschip van de Nederlandse letteren is.

Zoals het ons goed uitkomt dat Anne Frank niet al te zeer als Nederlands te boek staat, zo komt het ons misschien daarom ook wel goed uit dat Erasmus als Europeaan wordt gezien - want Europa, dat is niks, niks anders dan een verzameling nationale eigenaardigheden. Het mag dan voor alles een cultureel begrip zijn - veeleer dan een economisch, politiek of bureaucratisch -, alle cultuur komt ergens vandaan, ontstaat op een bepaalde plek, en dus hebben alle uitingen van Europese cultuur op zijn minst een dubbele identiteit. Dat geldt bij uitstek voor de brieven schrijvende Erasmus, voor de Erasmus die zijn gesprekken schrijft alsof het entrefiletjes zijn - en dan leveren wij de Nederlandse kant van die columnist uit Rotterdam kennelijk graag in.

DAT IS van meet af aan zo geweest - en het had telkens meer met de man te maken dan met zijn werk: op de man spelen en reputatiemoord waren belangrijker dan een kritische weging en weerlegging van zijn werk. Ook in dat opzicht is het verhaal van de schrijver Erasmus door en door Nederlands. 'Litterarische en theologische vijanden', schrijft Conrad Busken Huet in de negentiende eeuw, 'hebben, de eenen bij zijn leven, de anderen kort na zijn dood, door uit te brengen dat hij de zoon was van een zuidhollandsch dorpspastoor, in strijd met kerkgeloften bij eene noordbrabantsche dienstbode of huishoudster gewonnen, een smet op zijne geboorte meenen te werpen.' Om daar even later snedig aan toe te voegen: 'Het strekt den nederlandschen dienstbodestand en den lageren nederlandschen klerus der 15de eeuw tot eer, zulk een buitengewoon kind het aanzijn gegeven te hebben.'

Een generatie later zal Huizinga die kribbige toon, die chagrijnige bejegening, in zijn biografie van Erasmus opnieuw uitleven. Wie zijn karakterschets leest, halverwege het boek, staat versteld van de onwelwillendheid waarmee de biograaf zijn onderwerp tegemoet treedt. Het is allemaal wel waar wat hij zegt, het is regel voor regel te onderbouwen, maar het is slechts een halve waarheid. Een wankelmoedige geest, een twijfelaar, iemand die geen partij kiest, iemand die het grote, confronterende debat uit de weg gaat, is weliswaar niet groots en manhaftig, maar er zitten ook sympathieke kanten aan zo'n persoonlijkheid. 'Niemands knecht, niemands afhankelijke huisgenoot, niemands loontrekkend dienaar', zegt Busken Huet.

Dat is hij ook. Want in de brieven zowel als in de gesprekken komt, bij alle neiging geen bindingen, geen verplichtingen aan te gaan, óók een schrijver naar voren die zijn voordeel doet met die onafhankelijkheid. Schrijft hij een brief aan zijn Franse collega Guillaume Budé, de grondlegger van de klassieke filologie in Frankrijk, dan is dat bij oppervlakkige beschouwing een vriendelijke, ja zelfs een enigszins slijmerige brief - maar wie nauwlettend leest, proeft het klieren.

Erasmus prijst Budé uitbundig, maar hij vergelijkt hem onophoudelijk met hun wederzijdse vriend Thomas More, uit Engeland. Waar Budé een tobber is, is More lichtvoetig, waar Budé gebukt gaat onder zijn werk en reputatie, speelt More daarmee. Erasmus heeft duidelijk het land aan die zwaarwichtigheid van Budé en is op More gesteld om de betrekkelijke achteloosheid waarmee die zijn in Erasmus' ogen veel belangrijkere werk doet. Het is zo'n brief vol loftuitingen waar je ongemakkelijk van wordt: er staat geen onvertogen woord over de geadresseerde in en toch weet je dat die er niet blij mee kan zijn geweest.

Belerend, op het moralistische af, zonder grote waarheden te willen onderwijzen, relativerend zonder zichzelf weg te willen relativeren: het is de geest van gidsland Nederland die erin hangt, kleine dominees, die het beter weten dan Rome, commentatoren die het Witte Huis tot de orde roepen. Daar zit iets franks in, iets dat zich nog altijd meteen meester maakt van Nederlanders zodra zij in het buitenland zijn, of een auteur met een buitenslands grote reputatie ter hand nemen. Ons maakt men niks, zo klein als wij zijn, zijn wij ook stoer en onafhankelijk. Maar ook iets hinderlijks.

Het is die vertrouwde geest die in de Gesprekken heerst en die tegelijkertijd charmeert en irriteert. Erasmus heeft zijn Colloquia aanvankelijk geschreven uit didactische overwegingen. Met behulp van alledaagse conversaties wilde hij zijn lezers behoorlijk Latijn bijbrengen; het is een schoolboek en het is een Nederlands schoolboek: het moet wel leuk blijven. Het is ontstaan nadat er een corrupte roofdruk van enkele van die gesprekken was verschenen en Erasmus zich genoodzaakt zag zelf een verantwoorde editie ervan te verzorgen. Van dat moment af is de verzameling gegroeid en heeft zij zich ook losgezongen van haar oorspronkelijke didactische doel. De gesprekken werden sketches, veelal niet alleen belerende, maar ook komische eenakters, op het moppige af. Sommige worden in een paar pagina's verteld, andere zou je gerust kunnen inzenden naar een eenakterfestival.

EN ZOWEL in dat pedagische opzicht als in dat schetsmatige, doen ze je onweerstaanbaar aan Nederland denken, ook al voeren zij redenaars, prelaten en soldaten ten tonele, functionarissen waar wij niet veel mee op hebben. En nog altijd hebben wij stukjesschrijvers die zich druk maken over correct woordgebruik en het juiste taalgebruik. Erasmus die op een lichte manier wil demonstreren wat de juiste uitdrukking is, welke alternatieven daarvoor zijn en hoe je die moet gebruiken, is niet alleen een kind van zijn tijd, een kind van het Europa dat het Latijn wilde zuiveren van middeleeuwse vervuiling - het purisme en de taalpedagogiek waren stokpaardjes van het humanisme -, hij is ook het kind van een geest die enkele eeuwen later Charivarius, J.L. Heldring en Jan Mulder vormde.

Datzelfde geldt voor de vorm van zijn gesprekken. Zijn sketches voeren typetjes op, zoals het Nederlands toneel tot op de huidige dag in hoge mate typetjestoneel is gebleven. Geen grote onderwerpen, asjeblieft geen hoogdravendheid, maar typeringen, karikaturen. Wil Erasmus iets kwijt over de gekte van de aflatenpraktijk, dan laat hij handige bedevaartgangers aan het woord over ritselende pastoors, handige, kleine krabbelaars over iets minder handige maar even kleine sjacheraars - er is, met een beetje fantasie, de wereld in te zien van Wim T. Schippers en Koot en Bie.

Het verontrustende is echter dat Erasmus het niet laat bij het vinnig parodiëren van hotemetoten. Hij bespot de zelfingenomenheid en de parmantigheid van allerlei figuren - wat dat aangaat staan de Gesprekken heel dicht bij De lof der zotheid -, maar dat hij ook duidelijk maakt niet veel op te hebben met de lieden uit het land waar hij vandaan komt. Die veinzen wel een grote hang naar relativeren, maar zijn in werkelijkheid nog grotere dikdoeners dan de vreemdelingen die zij graag bespotten. Zijn laatste woorden mogen dan volgens de overlevering in het Nederlands gemompeld zijn geweest, hij mag dan ooit te kennen hebben gegeven zich een klein, stil huisje in Brabant te wensen, hij is na zijn jongelingsjaren uit de buurt van zijn vaderland gebleven. Zijn vrienden zijn veelal mensen van buiten Nederland.

Ook daarin is hij de gangmaker van een traditie: Multatuli, Busken Huet, W.F. Hermans en Hugo Brandt Corstius, allemaal door en door Nederlandse schrijvers die van buiten de landsgrenzen hun invectieven over het volkje thuis uitstortten - en misschien moet je er Arnon Grunberg nog bij noemen, die eerder dit jaar een poging deed zich met Erasmus te identificeren. Allemaal schrijvers ook die thuis met gemengde gevoelens bekeken en gelezen worden, want de wereld op de vingers tikken is best, je familie de les lezen is not done: wij hebben immers gelijk, maar dat gelijk kan nooit terugslaan op onszelf.

Misschien dat die schijnheiligheid de dubbelhartige omgang met Erasmus verklaart. Als het zo is, wordt het tijd hem te vergeven.

Hij had gelijk.

Altijd - en vooral als hij zijn landgenoten en hun slechte manieren te kijk zette.

Meer over