Sissen, grommen, hikken

Hij groeide op tussen mijnwerkers en overtuigde socialisten; een decor van armoe en kolengruis dat nu nog doorklinkt in zijn werk....

door Erik van den Berg

Een tafereel in het Amsterdamse etablissement De Kroeg, begin jaren tachtig. Op het podium staat de Mike Westbrook Band, een jazzensemble dat lijkt gecast voor een ouderwets tv-avondje van de BBC. De leider/pianist zou het aardig doen in een Agatha Christie-film: de vaderlijke super intendent die 's avonds ontspant met een goede port en een paar regels Catullus. De besnorde saxofonist kan zo op tijgerjacht in India. Diens tegenspeler is meer het type kitchensink drama: een driftkop in hemdsmouwen, die verzengend hard trompet speelt, soms vergeet het instrument aan zijn lippen te zetten en dan maar rechtstreeks zijn gemoed lucht - met een stentorstem die je nekharen overeind zet van schrik.

Phil Minton verschijnt al lang niet meer met zijn trompet ten tonele. De inmiddels 61-jarige muzikant heeft genoeg aan zijn stembanden. In zijn jeugd in Devon zong hij in het kerkkoor, maar die jaren liggen ver achter hem. De angelieke jongenssopraan is veranderd in een rauwe bariton, waarin sporadisch iets van een jazz-crooner of een Fischer-Dieskau meetrilt, maar die overigens alle regels van het bel canto aan zijn laars lapt.

Zijn voorliefde voor onwelvoeglijk gesis, gegrom en gehik, ver buiten het normale zangregister, maakt hem verwant aan stemavonturiers als Jaap Blonk en David Moss, maar heel ver gaat de verwantschap niet. Minton is moeilijk te evenaren in zijn fysieke intensiteit, die zowel intimiderend als ontwapenend kan zijn. Een criticus typeerde hem als 'a singer so far ahead of the pack, you wonder where the rest of them went'.

Minton is een selfmade man, met hoogsteigen preoccupaties. Hij groeide op tussen mijnwerkers en overtuigde socialisten; een decor van armoe en kolengruis dat nu nog doorklinkt in zijn werk. Zijn jongste cd, And the World ain't Square, opent met een energieke ode aan de anarchie, op tekst van John Henry MacKay (1864-1933): 'I am an anarchist! Wherefore I will not rule, and also ruled I will not be!'

Ruim vijftig cd's maakte Minton en een flink aantal daarvan getuigt van een onmodieuze affiniteit met verschoppelingen en voorvechters van een rechtvaardiger wereld. Naast Mackay (wiens teksten ook Schönberg en Richard Strauss op muziek zetten), interpreteert hij werk van de Amerikaan Ralph Chaplin (auteur van het strijdlied Solidarity Forever) en de hedendaagse dichter-performer Adrian Mitchell, present met het giftige Advertising Salesman ('olive oil tongue, marzipan dung').

Ontroerend is zijn Depression Message From a Hobo Friend, gebaseerd op de hartelijke brief die een zwerver in 1935 vanuit Cincinatti aan de componist Harry Partch schreef: 'I'm just out of jail and feeling fine and I think I have a job starting the twelfth of October and I truly hope my dear little wife is dead by then.'

Maar Minton is meer dan een boeman van de bourgeoisie. Zijn meesterwerk is misschien de kwartet-cd Mouthfull of Ecstasy, een muzikale fantasie op tekstfragmenten uit Finnegans Wake van James Joyce, met saxofonist John Butcher, drummer Roger Turner en pianist Veryan Weston. Mintons vermogen in één ademtocht verschillende stemmen tot klinken te brengen, komt in Joyce's klankrijke zinnen prachtig tot zijn recht. Komisch is het soms ook: in Park Bogey krijgt het quasi-plechtige mozaïek van prietpraat en kanselarijtaal een Monty Python-achtige allure.

De spannendste muziek maakte Minton met het kwartet Roof, dat in 1998 voortijdig aan zijn einde kwam toen de cellist Tom Cora aan kanker overleed. Het dak stortte in, de wanden bleven staan: Roof ging door als 4Walls, met pianist Veryan Weston.

De eerste cd van 4Walls valt niet mee. And the World ain't Square mist het richtinggevoel dat de punkachtige improvisaties op de Roof-cd's Traces en The Untraceable Cigar zo opwindend maakte. Het verlies van de onvervangbare Cora is voelbaar. 'Fine weather', grauwt Minton, 'the flowers smile'. Maar het klinkt naar wereldbrand.

Meer over