'Sire, er zijn geen vissers'

'Een Hollander trekt alles naar zich toe, maar stoot niets af. Hij neemt en geeft nooit iets terug.' Het opkopen van schepen wordt wordt in Oostende als verklaring gegeven voor de kwijnende visserij in België....

HENK BLANKEN

Met de naakte onderbuik van de O-231 was het begonnen. De Belgische kotter lag open en bloot en bijna obsceen in het dok van de visserijhaven in Oostende. In de Sailor, een pijpela aan de Hendrik Baelskade, tussen visafslag en vuurtorenbuurt, dronken drie bemanningsleden pinten, en dat deden zij al anderhalve maand.

Twee zwegen.

Ze waren werkloos, zei de derde. Ze zaten 'in de dop'.

En wijzend naar het dok: 'Ik ben de schipper. Normaal op die grote daar, de Carolus, als die niet kapot is.'

De schipper heette Hennaert. Zijn vader was de reder van de O-231, de St. Carolus. En van de O-187, de St. Antonius, een kleinere 'Eurokotter'.

Voor een Oostendse reder, doorgaans stug als een zeemleren lap, had Norbert Hennaert het hart op de tong. Niks te verliezen. Jaren geleden moest de O-231 een nieuwe motor, waarvoor Hennaert zich in de schulden had gestoken. Toen zat het tegen. Een brand hield één van zijn schepen zeven maanden uit de vaart. Het andere had een aanvaring, waarna de reparatiewerf failliet ging, en Hennaert 'verder achterop raakte'.

Hij kon zijn schulden niet aflossen. Dat was geen ramp geweest als de bank, de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid, waar ooit tegen gunstige voorwaarden kon worden geleend, nog de oude staatsbank was geweest. Maar de NMKN was geprivatiseerd en hanteerde minder fluwelen methodes.

'Mijn dossier', gruwde Hennaert, 'is behandeld door een opkuiser van de NMKN.' Die nieuwe manager wilde geld zien dat er niet was.

Aldus werd Hennaert eventjes beroemd als de visser die zo onafwendbaar op zijn faillissement afstevende dat voor hem zelfs een brief aan de koning werd geschreven. En voor zijn lotgenoten - want van alle 151 zeevissers in de havens van Oostende, Zeebrugge en Nieuwpoort zouden er 41 te boek staan als 'probleemdossier'.

Ze kwijnden weg door Europese vangstbeperkingen en goedkope import uit Oost-Europa, en vielen ten slotte ten prooi aan rijkere, gretige Hollanders.

Bruggenaar Geert Deman, zoon van een reder, behartigt met het Maritiem Ombudsbureau de belangen van de Belgische vissers. Deman schreef de brief aan 'Zijne Majesteit de Koning, Koninklijk Paleis, Brussel'.

Sire, schreef Deman, u weet dat een aantal reders 'hun familiale' zaak dreigt te verliezen, dat uit Oost-Europa ingevoerde vis de markt bedorven heeft, 'ook voor kwaliteitsvis als Schol, Pladijs en Kabeljauw', dat de bemanningen geen droog brood verdienen omdat ze een percentage krijgen van een besomming die er niet is, en dat aandringende banken 'de Nederlanders in de kaart spelen'.

Sire, bedoelde Deman, u moet begrijpen dat de Belgische visserij weliswaar een strikt Vlaamse aangelegenheid is die macro-economische een bagatel is, en politiek gemarginaliseerd, maar dat die visserij niettemin een kwestie van nationaal belang is, met internationale consequenties. Want van de 151 Belgische vissersschepen zijn er vijftien, en mogelijk zelfs dertig, in handen van Nederlandse reders. Die varen onder Belgische driekleur, maar zònder Belgische bemanning. Die mijden de Belgische havens en de Belgische vismijn. Daar lijdt de groothandel onder, en de smid. Van de vier werven is er nog één over. En zelfs de onderlinge verzekeraar 'Hulp in Nood' zit in de problemen.

'Sire', had Deman kunnen schrijven, 'Sire, er zijn bijna geen vissers meer.'

Die Hollanders, analyseert Marcel Neudt, eigenaar van twee schepen uit Nieuwpoort, de Bouwewijn (N14) en de Skylight (N126), die Hollanders verschrotten hun schepen, vangen de overheidspremie op vlootverkleining, vangen nog een premie voor het vangstquotum, en komen dan naar Vlaanderen waar ze met Vlaamse subsidie een nieuw schip bouwen.

'Een Hollander trekt alles naar zich toe, maar stoot niets af. Hij neemt en geeft nooit iets terug.'

Het is een strategie van de Nederlanders, denkt Deman. Dat opkopen gaat sluipend, maar is al jaren een trend. 'Als je oplet, zie je het. Je merkt waar er aangeland wordt, welke bemanningen er op die schepen varen.' Het steekt Deman dat de Nederlandse eigenaren van Vlaamse schepen 'hebben geprofiteerd van Belgische subsidies', zoals het hem ook aan het hart gaat dat zelfs de Zeebrugse vismijn voor de helft in handen is van Hollanders.

Maar Deman is ook nuchter. Want de Nederlandse visserij is pakweg zeventien maal groter dan de Vlaamse. Belgen brachten in 1994 30 duizend ton vis aan land. Nederlanders 526 duizend ton. En behalve aan Oosteuropees prijsbederf gaat de Belgische zeevisserij ook aan zichzelf ten onder. Aan een minderwaardigheidscomplex en een neiging tot potverteren.

Deman: 'Wij zijn het kleine broertje. Men heeft hier nogal opgekeken naar Nederland. Naar wat daar werd uitgetest. In schepen loopt men hier een generatie achter. Belgische reders zijn niet arm, maar als er goede jaren waren, haalden ze hun geld uit het bedrijf en staken het in vastgoed. Een Nederlandse visser gaat niet avonturieren.'

De Hollanders zijn volgens Deman goed op de hoogte van de Vlaamse sores. Zo werd reder Hennaert al via een advocaat uit Knokke-Heist benaderd voordat zijn zaak de kranten haalde. Als andere Vlaamse reders in een zeldzame vlaag van nationaal sentiment proberen een collega over te nemen, zegt Deman, 'bieden de Nederlanders gewoon iets meer'.

'Zakelijk is dat subliem, maar het kan toch niet zo zijn dat Europa een vloot zo maar laat opslorpen door een buurland.'

Met het opkopen van collega's in België, Duitsland en Engeland halen zeevissers uit Urk en IJmuiden binnen wat zij zelf aan vangstquota zijn kwijtgeraakt. De Hollanders, zegt Deman, nemen het al minder nauw met de vangstbeperkingen die door de Europese Commissie zijn opgelegd om te voorkomen dat de zee wordt 'leeggevist', maar met 'vreemde vlaggen' lossen zij op wat niet met sjoemelen oplosbaar is.

Belgen kunnen dat niet. Luisteren braaf naar Brussel, en zijn als zeevis-natie bijkans verwaarloosbaar. De vloot is sinds 1960 met meer dan de helft geslonken. Waar dat voorheen werd gecompenseerd door steeds zwaardere schepen te bouwen, is de afgelopen vijf jaar ook het totale motorvermogen gedaald.

'Door de kleinschaligheid van de Vlaamse visserij komt de afbouw van de vloot hier harder aan', zegt Flor Vandekerckhove, hoofdredacteur van Het Visserijblad. 'Je komt onder een bepaalde grens. Er is dan geen visserij meer die regenereert. Alles rolt de berg af.'

Die ondergrens, zegt hij, ligt op 160 schepen. 'Als je de visserij in stand wil houden, omdat het een verrijking is, de laatste jachtcultuur, moet je dat getal hanteren. Wij zitten eronder. Als je de schepen die zijn opgekocht door Nederlanders er aftrekt, zelfs vèr daar onder. De visserij verkeert in een vrije val. Reders kunnen zich niet aan hun eigen haren uit de gracht trekken. Die zijn blij dat ze leven. Ga ik volgende week nog op zee? Daar zijn ze mee bezig.'

Toch, denkt Vandekerckhove, is het proces omkeerbaar. Maar dan moet er geld van de staat komen voor technologische vernieuwing. Hij stelt zich er 'een coöperatieve rederij' bij voor, die een revolutionair schip in de vaart moet nemen. 'Nu lukt dat niet. Niemand investeert. Wie dat wel doet, houdt de kennis voor zich. Vernieuwingen komen hier laat. Dat is ook begrijpelijk als je bedenkt dat experimenten die nadelig uitvielen meteen een ramp waren. Weer tien schepen naar de kloten.'

Maar Belgische vissers, erkent Vandekerckhove, hebben ook geen talent voor de lange termijn. De meesten bezitten slechts één schip, een enkeling heeft er twee of drie. Klein zijn ze, en conservatief, en nationaal gevoel zegt ze niets. 'Het voortbestaan van de Belgische visserij raakt de reder in zijn kouwe kleren niet.'

Vroeger, zei reder Neudt, vroeger zat de Sailor vol.

Nu was het een aflopende zaak. Als de banken, de NMKN voorop, niet inbonden, zou de visserij verdwijnen. Tenzij de overheid te hulp schoot. De reders, schreef Deman, hadden slechts tijd nodig. De prijzen zouden immers beter worden nu de Belgische consument meer vis at vanwege de gekke-koeienziekte.

'Met een herstructurering van de Vlaamse visserij kan het nog goedkomen', bevestigde Neudt. 'Niet zoals het nu is. Het is verwaterd. Met de vismijn van Oostende is ook het gedaan, mochten twee grote kopers niet betalen. De aandeelhouders zijn de reders, maar die geloven er zelf niet meer in. Gaan naar een andere afslag omdat die goedkoper is en de prijzen er beter zijn.'

Of het dan zo erg was dat die Hollanders gekomen waren?

'Als ze terug gaan, vind ik het best', zei Neudt.

Niet dat ze nou vijanden waren, zei Hennaert. 'Het zijn zelfs vrinden.'

Maar van vissen hadden ze geen sjoege, zei Neudt. Die schepen van vierduizend pk trokken ze achteloos door het water. Van geulen wisten ze niks. 'Zet een Hollander op een kotter van 600 pk, en hij kan d'r niks van. Het is daar power, power, power.'

De Hollandse visser, bedoelde Neudt, verhield zich tot een Belg als een heggeschaar tot een fileermesje. 'Ze kennen maar drie soorten vis. Schol, kabeljauw en tong. Als er iets anders boven komt, is het meteen een monster.'

Zou Hennaert zijn schepen niettemin aan zo'n Hollander verkopen?

'O jawel', gaf hij grif toe.

Maar verkopen, wist Hennaert, kon je maar één keer. 'En mijn familie zit al vierhonderd jaar in de visserij.'

'Gisteren had ik nog een deal met een Nederlander', zei hij. 'Maar nu niet meer. De houding van de Belgische regering is veranderd. Op 10 juni moet er iets op papier staan. Als dat niet zo is, komt er een havenblokkade. Iedereen staat daar warm voor.'

Meer over