Sherwood Forest

Al op zeer jeugdige leeftijd was ik helemaal in de ban van Robin Hood. In de tuin van mijn opa slopen mijn broer en ik met pijl en boog door de varens, waarbij mijn broer altijd de rol van Winnetou op zich nam, en ik die van Robin Hood....

Maar Robin Hood bleef een benijdenswaardige held. Ik droomde weg bij het bibliotheekboek over het vrijbuitersleven in de gezonde boslucht, met goede vrienden als Little John, Allin-a-Dale, Will Scarlet en Friar Tuck, en een lekkere meid als Marian op de koop toe. De door Robin gehanteerde methode van inkomensnivellering, geld roven van de rijken om het aan de armen te geven, kwam mij als zeer rechtvaardig voor.

Met enige spanning reisde ik dertig jaar later dan ook naar Sherwood Forest, waar de Sheriff van Nottingham zo vaak in het stof had gebeten, in zijn eeuwige jacht op de duivelse boogschutter.

Het begon al slecht. Bij de ingang van Sherwood Forest was een kermis, met botsautootjes en goktenten. Die bewijzen van typisch Engelse smakeloosheid zag je in het land bij bijna élke bezienswaardigheid waar per jaar meer dan 75 bezoekers kwamen, maar ik had, tegen beter weten in, gehoopt dat Sherwood Forest een uitzondering zou vormen.

Langs de paden naar het informatiecentrum stonden automaten met een afbeelding van de koene held. Automatic Outlaw stond er op. Er moest twintig pence in. Ik wierp een muntstuk in de gleuf, benieuwd naar wat er uit het apparaat zou komen. Een informatiefoldertje? Een toespraak van Robin? Een sticker van Friar Tuck? Een plastic ei met een pijltje-en-boogje? Er gebeurde niets. Flink beuken tegen de zijkant hielp ook niet. Ik was er nog maar net, of Robin Hood had al een rijke te pakken genomen.

Het informatiecentrum maakte de stemming er niet beter op. Ook Robin Hood bleek slachtoffer van de alom om zich heen grijpende merchandising. Ik zag pijlen en bogen, hoeden en pijlenkokers, groene hesjes en zwaarden. Goed, dat ging nog. Maar er lagen ook zakken Robin Hood-toffees, je kon er Robin Hood Olde Nottingham Humbugs kopen, Robin Hood Belgische melkchocolade, Robin Hood-handdoeken, Robin Hood-jam. En het allerergste: Robin Hood-keukenschorten voor de moderne man.

Bij de kassa stond een vader met zijn twee zoontjes. Hij rekende twee pijl-en-bogen en twee groene hoedjes af. Ik kocht voor mijn dochter een boekje met de avonturen van Robin Hood, voor de jeugd van vier tot zeven, en begaf mij op weg naar de Eik. Want daarvoor was ik eigenlijk gekomen.

In Sherwood Forest stond nog steeds de oude eik waar Robin en zijn dappere mannen zich verzamelden, voor ze weer een kapitalist gingen beroven.

Het pad naar de Eik was helemaal omheind, wat de ware vrijbuiterssfeer niet ten goede kwam. Oude bomen zag ik ook weinig, in Sherwood Forest groeiden voornamelijk miezerige berkjes, bij uitstek ongeschikt om achter te schuilen, en je zag er ook niet direct iemand uit naar beneden duiken om een rijk konvooi te bespringen.

Maar gelukkig, de Eik stond er nog. Het was een indrukwekkende, heel dikke eik met een holle ruimte in de stam. De vermoeide Eik moest gestut worden door negen palen en er stond een hek omheen.

De twee jongetjes, met de groene hoedjes op hun kop en de pijl en boog in de aanslag, waren er ook. Kijk, zei het ene jongetje terwijl hij naar holle ruimte wees, daar zat Robin in, dan konden ze hem nooit vinden.

Nee, zei de vader, die voor een informatiebord stond. Ik lees hier dat die boom achthonderd jaar oud is. Dus in de tijd van Robin Hood kwam hij misschien net uit de grond. De jongetjes keken opeens erg bedroefd, en ik ook.

Maar het was waar, las ik. Dit kon nooit de boom van Robin Hood geweest zijn. De informatie ging nog verder in het ontmantelen van jeugddromen. Niet alleen was de boom te jong, die hele Robin Hood had nooit bestaan.

Robin was, las ik, meer de personificatie van een groene bosgeest. En groene bosgeesten waren in de middeleeuwse folklore weer een soort milieu-activisten avant la lettre, die de eenheid van mens en natuur symboliseerden. Daar konden wij milieuvernielers nog veel van leren, voegde de educatieve dienst van Sherwood Forest daar aan toe.

De Eik wás niet eens een boom. De Eik was drie of vier bomen, ontsproten aan drie of vier eikels die bij elkaar hadden gelegen.

Maar ik had even helemaal geen zin in gezever over het milieu en de samengestelde groeiwijze van oude eiken. Na Sinterklaas en God was Robin Hood de derde jeugdheld die me werd ontnomen. Daar moesten ze eens een keer mee ophouden. Straks bleek ook Johan Cruijff nooit te hebben bestaan.

Bijna een miljoen mensen kwamen er per jaar naar deze boom kijken. Hij was al beroemd sinds het einde van de achttiende eeuw, toen het wetenschappelijk onderzoek nog niet zover was gevorderd dat feilloos de leeftijd van elke boom kon worden bepaald, alsmede de historiciteit van struikrovers, en illusies er nog niet waren om omver gekegeld te worden.

De boom woog 23 ton en had een omtrek van tien meter. Tot 1975 mocht je er in klimmen, maar omdat 220 duizend mensen per jaar dat ook inderdaad deden, dreigde de boom aan zijn populariteit te bezwijken, zodat ze het verboden. Nu werd de boom dagelijks geïnspecteerd door de Nottingham Rangers en stond hij onder strenge controle van een team van eminente boomchirurgen. Hij kreeg ook bijvoeding.

Ze snapten in Sherwood Forest ook wel dat ze zonder de Eik wel konden inpakken met hun prutsbos.

Maar waarom lieten ze dan de verbeelding niet een béétje in leven, door op het informatiebord te vermelden dat dit heel, héél misschien toch wel de Eik was en dat Robin Hood er heel, héél misschien wel eens in had gescholen, als hij tenminste had bestaan, wat niet helemáál voor de volle 100 procent viel uit te sluiten?

Dat had ik graag willen lezen. Maar er stond dat het een Engelse eik was, type Quercus Robur.

Thuis gaf ik Hannah het boekje over Robin Hood. Ze las het en vond er niks aan. En het was ook niet eerlijk, zei ze, dat Robin Hood de rijken beroofde om het geld aan de armen te geven. Want dan werden de armen rijk en de rijken arm. Dus dan kon Robin Hood wel aan de gang blijven. Ik denk dat het geeneens waar is, van die Robin Hood, zei ze.

Zelfs onder zesjarigen, begreep ik, had de sceptische levenshouding op noodlottige wijze toegeslagen.

De reiscolumns van Bert Wagendorp verschijnen elke veertien dagen.

Meer over