Shakespeariaans is het beeld in Litouwse Macbeth

Ze zijn grappig. Vrolijk, jeugdig (ze giechelen wat af) en soms ook bedroefd, want het zijn zware tijden. Ze zijn zo vluchtig en snel als een luchtbel, ze zweven als een vogel....

Karin Veraart

De Litouwse regisseur Eimuntas Nekrosius schiep heksen als nimfen, als drie gratiën. Zij kietelen Macbeth onder zijn baard en zoenen hem. En laten hem nooit meer los.

Voor Shakespeares weird sisters is bij Nekrosius een belangrijke rol weggelegd. De drie, die generaal Macbeth zijn koningsschap voorspellen, blijven hem volgen, in zijn waanzin, tot in zijn dood. Zij leiden de rituelen, dragen de magie, zij verbeelden het bovennatuurlijke. Zij zijn de peilers van deze Macbeth.

Niet heel gebruikelijk. Daarbij bracht de regisseur het aantal personages terug van alle achtentwintig naar elf: naast genoemden zien we nog Lady Macbeth, Banquo en Duncan terug, plus vier acteurs met dubbelrollen (soldaat/gast). En Nekrosius schrapte fors, tot puur de kerntekst overbleef. Toch duurt zijn enscenering vier uur.

De wat raadselachtige Nekrosius (persoonlijke data zijn nauwelijks bekend) is de laatste jaren op buitenlandse theaterfestivals een geroemde gast. Voor zijn Hamlet op het festival in Sint-Petersburg werden de toegangsdeuren van het theater geforceerd toen liefhebbers vreesden er niet meer in te komen.

Het jaar daarop raakten wagons overbelast toen Nekrosius-minnend Moskou zich in de nachttrein naar Petersburg liet verschepen om Macbeth te zien.

In Nederland wachtte hem nauwelijks een warm welkom. Oom Wanja kreeg in het Holland Festival van 1989 een lauwe ontvangst; Hamlet, tien jaar later, verging het niet beter, al was dat wellicht deels te wijten aan het feit dat de boventiteling niet standaard aanwezig was. En nu weer Macbeth: maar vier keer te zien in twee theaters.

Jammer, want het is een heel mooie voorstelling. In het Litouws, mét boventiteling. Maar eigenlijk is die niet meer dan een steuntje waar je zo af en toe een oog op slaat als je eraan denkt, want het beeld is het belangrijkst, het beeld spreekt, onmiskenbaar, Shakespeariaans.

De heksen dansen rond hun ketel, spoken veranderen in spiegels en vice versa tegen de donkere achterwand, balken kraken en kreunen, lijkkisten worden neergelaten, het regent stenen langs water en vuur.

Het is duister waar Macbeth gaat en een spoor van moord achter zich laat, we horen het terug in het vervreemdende klankdecor van ganzengegak, klezmerachtige patronen en het Tweede pianoconcert van Chopin.

Toch is het niet alleen maar kommer en kwel in de elfde eeuw. Macbeth en Lady Macbeth zijn dol op elkaar: ook een aspect dat Nekrosius benadrukt. Er zijn grappen: Duncan heeft al voor zijn dood een opening in het rugpand van zijn jas, waarin later de bijl mooi past - het moordwapen waarmee hij, als een martelaar, steeds zal opduiken, vrolijk vergezeld van lotgenoot Banquo.

En er is mededogen. De regisseur wil zich opwerpen als 'advocaat' van Macbeth en slaagt daar wel in. Wroeging, angst, spijt, geklungel, getalm en getob passeren in golvende bewegingen, dansend als de lichamen van de acteurs, als in trance.

Gelukkig kregen ze een vet applaus in Utrecht.

Meer over