Shadab wordt student, of anders terrorist

Shadab Kadri is een heel gewone jongen van twintig. Hij zoekt zijn kleren met zorg uit, in de hoop dat de meisjes naar hem kijken, zet zijn zonnebril op voor hij in de auto stapt, draait de raampjes naar beneden en zet de muziek aan....

Met één hand aan het stuur en de andere losjes buitenboord vertelt hij lachend over zijn vriendinnetje en de lange gesprekken die ze voeren over internet. Hij raast door Ahmedabad, snijdt een riksja, haalt een ossenwagen in en ontwijkt koeien.

Pas als hij zijn eigen wijk, Shah Alam, binnenrijdt, verandert het tempo. 'Hee, Yasser', roept hij naar iemand op een scooter - en in het voorbijgaan slaan ze de handen tegen elkaar. Hij stapt uit om Malik op de schouders te slaan en bewondert de nieuwe cd's van Nasser die net uit een winkel komt. 'En daar heb je mijn neef', zegt Shadab terwijl hij naar een wat oudere man in een morsige streepjesblouse wijst. 'De broer van mijn neef die door de politie is doodgeschoten.'

Het gaat goed met Shadab. Zegt hij. Het gaat goed, ondanks het feit dat zijn neef is vermoord. Het gaat goed, ondanks het feit dat hij de helft van zijn vrienden niet meer wil zien omdat het hindoes zijn. Het gaat goed, ondanks het feit dat hij een halfjaar geleden meer ellende heeft meegemaakt dan een normaal mens kan verdragen. 'Heb je wel eens gezien hoe een hand aan één ader kan blijven bungelen?', vraagt hij plompverloren.

Shadab is een moslim in Ahmedabad en zes maanden geleden brak daar de hel los. Er werd een trein in brand gestoken waarin hindoe-activisten zaten, van wie er 57 omkwamen in de vlammen. De dag daarna, donderdag 28 februari, trokken tienduizenden mannen door de stad - belust op moslimbloed. Huizen werden in brand gestoken, maar niet dan nadat alle bewoners aan bed waren vastgebonden. Vrouwen werden verkracht, kinderen gemarteld. De politie kon en wílde hen niet beschermen. Pas twee dagen later, toen de lokale autoriteiten het leger inschakelden, bleven de mannen met de zwaarden thuis. Er waren duizend mensen om het leven gekomen, tienduizenden anderen zaten weggekropen in moskeeën die waren ingericht als vluchtelingencentrum.

Daar stond Shadab Kadri toen, huilend als een kleine jongen. 'Iedereen is zijn huis kwijt, iedereen heeft familie verloren. En waarom? Omdat ze moslim zijn?' Dagen- en nachtenlang werkte hij in de grote moskee waar zevenduizend mensen een veilig heenkomen hadden gezocht: hij zamelde eten, medicijnen en dekens in, probeerde artsen te helpen , organiseerde begrafenissen .

'Het is het enige dat ik op het moment kan doen', schreef hij een week na de rellen. 'Mijn mensen helpen.' En: 'Ik weet wel dat ik een moslim ben en dat veel anderen hindoe zijn, maar dat heeft nooit veel uitgemaakt. Ik hoop vurig dat we hier uit komen en ons leven samen weer kunnen opbouwen. Want als dat niet samen kan, is hier geen leven mogelijk.'

Maar zijn brieven veranderden van toon. De kok van het centrum werd doodgeschoten. En toen zijn neef. Er moesten hekken rond de wijk worden gebouwd, want het gerucht ging dat de hindoes zouden terugkomen om hun werk af te maken. 'Mijn vader en moeder vrezen voor mijn leven, want ze zijn bang dat ik iets doms ga doen', schreef hij. 'Ik kan dit niet langer aanzien. We moeten wraak nemen. '

Hij schreef steeds vaker over zijn religie. Langzaam maar zeker veranderde deze heel gewone jongen in een intens vrome moslim, die zich gedwongen voelt zijn volk te verdedigen. Om dat uit te leggen rijdt hij naar de moskee, waar nog steeds honderden families wonen die niet terug durven naar hun zwartgeblakerde huizen.

Tussen de graven van een oude soefi-meester en zijn aanhangers zit de 30-jarige Aamina Aapa met haar vier kleine kinderen en haar tandeloze moeder. 'Het moet tien uur 's ochtends zijn geweest', herinnert ze zich. 'Ik was net thee aan het zetten toen ik de meisjes hoorde gillen. Ik rende naar buiten en zag duizenden en duizenden mannen, met saffraankleurige hoofdbanden en met speren, zwaarden en jerrycans in de hand.'

Aamina Aapa probeerde zich te verbergen op het dak van haar huis en zag hoe haar vriendin Noorani werd verkracht. 'Daarna sneden ze haar open, rukten de baby uit haar baarmoeder en gooiden het ongeboren kind in het vuur. Vervolgens werd ze in stukjes gehakt en in de vlammen geworpen.' Ze slikt. 'Noorani was negen maanden zwanger. Ze was net getrouwd en zo blij dat ze een kind kreeg.'

De misselijkmakende verhalen kennen geen einde. Later, thuis, laat Shadab een mapje foto's zien van mensen die zijn gereduceerd tot grillige vormen in zwart en rood. 'Het is nu rustig', vertelt hij, 'er wordt niemand meer vermoord. Maar de hindoes proberen ons sociaal en economisch om zeep te helpen. Moslimkinderen mogen niet meer naar school, moslims worden ontslagen, moslims krijgen geen geld van de overheid om hun bedrijfjes op te lappen.'

De jongens die 's avonds bij elkaar kruipen voor het kiprestaurant praten over bijna niets anders. 'Hindoes eten geen vlees, daarom zijn wij sterk en zij zwak', zegt Shadab terwijl zijn gezicht begraaft in een kippenpoot. Moslims wassen zich ook vaker, zijn gezelliger, kunnen beter autorijden en hebben veel mooiere vrouwen.

Het gesprek wordt grimmiger als de jongens stuk voor stuk verklaren dat ze klaar zijn om te vechten. 'We worden terroristen', zegt een jonge knul. 'We verzamelen wapens en hebben geleerd hoe we bommen moeten maken.' Het groepje knikt instemmend. Ook Shadab. 'Ik heb zes, misschien wel zeven hindoes vermoord toen we de wijk verdedigden. Het is niet leuk, maar we hadden geen keus.'

Maar Shadabs familie heeft geld en hij heeft zich al ingeschreven aan een Australische universiteit. 'Er zijn twee mogelijkheden', zegt hij als hij weer bij zijn ouders op de bank zit. 'Of ik word terrorist, of ik vertrek.' Australië lijkt hem geweldig. 'Ik heb er een paar vrienden wonen, hindoes ja. . En met het geld dat ik ga verdienen, blijf ik de strijd steunen.'

Shadab Kadri lacht zijn innemende jongensgrijns. Hij staat op het randje. Maar hij wil eigenlijk zo graag een gewone jongen blijven.

Meer over