AnalyseServië en Kosovo

‘Sfeer tussen Servië en Kosovo wordt nog steeds vergiftigd door etnische haat’

Een Albanisch echtpaar rouwt om hun 11-jarige zoon, Shemsi Elshani, die op 24 oktober door Servische politieagenten is vermoord.Beeld AFP

Kosovo en Servië kunnen elkaar nog steeds niet luchten of zien. Allebei willen ze wel graag bij de EU, maar zolang Servië blijft weigeren Kosovo te erkennen zal er van een toetreding niets terechtkomen. Dat de Kosovaarse leider Hashim Thaçi precies nu voor het Kosovo-tribunaal in Den Haag is gedaagd helpt ook niet, zegt de Nederlandse top-diplomaat Daan Everts.

De aartsvijanden Servië en Kosovo beginnen deze week met een gezamenlijke zoektocht naar vermiste personen uit de oorlog die eind vorige eeuw op de Balkan werd uitgevochten. Een succes, zo oordeelt de EU, die leiders van beide landen vorige week met grote moeite in Brussel bij elkaar had gebracht. Hooguit een symbolische daad, stelt daarentegen de Nederlandse oud-diplomaat Daan Everts, die jarenlang in het conflictgebied werkzaam was.

‘De zoektocht naar vermiste personen, hoe nodig ook, is wel het minste probleem,’ zegt Everts (79), die twintig jaar na dato constateert dat burgers en politici in beide landen nog steeds haatdragend zijn. De Nederlander is lid van een waarheids-en verzoeningscommissie die, zoals in Zuid-Afrika na de val van het apartheidsregime, gerechtigheid en vreedzaam samenleven nastreeft. Om in die sferen te blijven: de Balkan heeft volgen hem ‘een paar Mandela’s’ nodig voor normalisering van de betrekkingen tussen de buurlanden Servië en Kosovo.

Servië en de voormalige provincie Kosovo, sinds 2008 een zelfstandige staat, willen beiden lid van de EU worden. Maar de onderlinge animositeit staat toetreding in de weg, temeer daar de EU toch al niet staat te trappelen om nieuwe lidstaten toe te laten. Op hun beurt vinden beide landen dat Brussel ze onvoldoende (economisch) perspectief biedt. ‘De onvrede onder de bevolking, ook over de EU, groeit’, zegt Everts, van wie deze week een boek verschijnt. 

Bombardementen

In dit boek, Peacekeeping in Albania and Kosovo, blikt de voormalige topdiplomaat terug op onder meer de Navo-bombardementen van 1999, gericht tegen Servië. Dat land pleegde volgens de VN ‘buitensporig’ geweld tegen de etnisch-Albanese bevolking in de toenmalige Servische provincie Kosovo. De bombardementen dwongen Servië tot een vredesakkoord, waarna Kosovo een soort protectoraat werd onder de hoede van de VN en andere internationale organisaties. Everts stond bijna drie jaar aan het hoofd van een missie van de OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa). De missie bouwde een etnisch gemêleerde politiemacht en een publieke omroep op, zag toe op de eerste vrije verkiezingen en droeg bij aan de herintegratie van een miljoen gevluchte Kosovaren.

Twintig jaar later ‘vergiftigen ultranationalisme en etnische vijandigheid de sfeer nog altijd’, zegt Everts. In de naoorlogse jaren waren er nog uitbarstingen van etnisch geweld in Kosovo, dat door Servië nimmer als een onafhankelijke staat werd erkend. De VS en de meeste Europese landen zien Kosovo wel als soevereine natie. ‘Servië moet erkennen dat Kosovo verloren is gegaan’, zegt Everts. ‘Anders is er geen zicht op normalisering van de verhoudingen’.

Etnische uitruil

De aanwezigheid van een Servische minderheid (ruim 100 duizend personen, op een totale bevolking van 1,8  miljoen) is en blijft de grootste bron van spanningen tussen de buurlanden. Af en toe duikt het idee op om een stuk in Noord-Kosovo dat bijna uitsluitend wordt bewoond door Serven te ruilen tegen een deel van Zuid-Servië waar voornamelijk Albanezen wonen. Everts: ‘De EU is doodsbenauwd voor een dergelijke etnische uitruil, op de Balkan kan dat zomaar weer een doos van Pandora openen’.

De EU probeert de landen juist bijeen te krijgen. De premier van Kosovo, Avdullah Hoti, drong vorige week in Brussel bij de Servische president Aleksander Vucic aan op herstelbetalingen, maar kreeg nul op het rekest. Wel beloofde Vucic de premier assistentie bij een speurtocht naar circa 1600 vermiste personen –merendeels etnische Albanezen - uit de Kosovo-oorlog. Op voorwaarde dat de Kosovaren Serviërs toelaten tot gebieden waar graven worden vermoed en de archieven openstellen van het voormalige rebellenleger UÇK.

De leider van deze etnisch-Albanese guerrillabeweging, Hashim Thaçi, is de huidige president van Kosovo. Vorige week werd hij vier dagen lang verhoord door het speciale Kosovo-tribunaal in Den Haag. De aanklacht, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, moet nog door een rechter bekrachtigd worden. Daan Everts heeft bedenkingen bij de handelwijze van het tribunaal, waar zowel de aanklager als de rechters buitenlanders zijn omdat de grootste geldschieter, de EU, de Kosovaarse rechtspleging niet vertrouwt.

Everts: ‘Natuurlijk moeten oorlogsmisdaden worden berecht. Waar ter wereld dan ook. Maar er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen het systematische, etnische geweld van de Servische regeringstroepen, politie als milities, enerzijds, en de lokale etnische wraakacties van het UÇK anderzijds. Onder de Albanese Kosovaren vielen ruim 10 duizend doden, onder de Serviërs circa 500. En dan hebben we het nog niet over de aard van het geweld ’.

Thaçi zelf verwerpt alle aanklachten. In Kosovo wordt het tribunaal als partijdig gezien, zoals Serviërs altijd klaagden dat het (inmiddels opgeheven) Joegoslavië-tribunaal in Den Haag het vooral op hen gemunt had. Dat Thaçi juist nu is beschuldigd, frustreert volgens Everts de hervatting van de besprekingen tussen Belgrado en Pristina, en bevordert de ‘gevaarlijke instabiliteit’ op de Balkan.

De erkenning van Kosovo

Kosovo telt 1,8 miljoen inwoners, waarvan ruim 90 procent etnische Albanezen zijn. Spanningen tussen die Albanese meerderheid en het Servische landsbestuur leidden in 1998 tot een burgeroorlog, waarbij meer dan 10 duizend doden zouden vallen. Die oorlog kwam in juni 1999 ten einde na bijna drie maanden van Navo-bombardementen – het sluitstuk van een decennium vol burgeroorlogen, massamoorden en etnische zuiveringen dat volgde op het uiteenvallen van de veelvolkerenstaat Joegoslavië.

Na negen jaar onder VN-bestuur, verklaarde Kosovo zichzelf in 2008 officieel onafhankelijk. Die onafhankelijkheid wordt momenteel erkend door 97 van de 193 VN-lidstaten, waaronder Nederland. Servië erkent die onafhankelijkheid allerminst. Sterker nog: geregeld zijn er nog spanningen tussen beide landen.

Zo trokken eind 2018, onder druk van Servië enkele kleine landen als Grenada, de Salomonseilanden en Madagaskar opeens hun officiële erkenning van Kosovo weer in. Kosovo reageerde fel op die Servische uitdaging door het invoertarief op alle producten vanuit Servië naar 100 procent te verhogen – het begin van een handelsoorlog – en besloot een eigen leger te formeren.

Om die immer oplaaiende ruzie tussen beide landen enigszins in toom te houden, leidt de Europese Unie sinds 2011 gesprekken die de relatie tussen beide landen moet ‘normaliseren’. Zowel Kosovo als Servië werkt daar knarsetandend aan mee, omdat ‘normalisering’ nu eenmaal een harde eis is voor toetreding tot de EU.

Meer over