Servische volk voelt zich geen dader maar slachtoffer

Tien jaar Balkan-oorlogen heeft de reputatie van de Serviërs geen goed gedaan. Ze worden gezien als uitvinders van de etnische zuivering, als paria's van Europa....

AL NEGEN jaar is de 30-jarige Slavisa Bacanin uit Kragujevac met betaald verlof. In maart van dit jaar had hij een oproep gekregen van zijn werkgever, de autofabrikant Zastava, dat hij binnenkort weer aan het werk zou kunnen. Op 9 april verwoestten de NAVO-bommen niet alleen de fabriekshallen, maar ook Bacanins hoop op een betere toekomst.

De uitkering van 35 gulden in de maand is bij lange na niet voldoende om Bacanins eveneens werkloze vrouw en twee kinderen te onderhouden. Daarom verkoopt de voormalige monteur van startmotoren nu benzine langs de kant van de weg, die hij smokkelt uit Hongarije. '90 procent van de bevolking hier in Kragujevac zit in het zelfde schuitje. De enige uitweg uit deze ellende is dat een buitenlandse investeerder de fabriek overneemt.'

Maar dat zal niet gebeuren zolang Slobodan Milosevic in Joegoslavië de scepter zwaait, realiseert Bacanin zich. Toch zal Bacanin niet deelnemen aan de massademonstraties tegen de Joegoslavische president die vanaf morgen overal in Servië worden georganiseerd. Bacanin haalt zijn schouders op en zegt: 'Milosevic en de oppositie: het is allemaal een pot nat. Ik ben niet geïnteresseerd in politiek, alleen in overleven.'

Zijn verhaal is illustratief. De Serviërs hebben weinig energie en vechtlust over na vier verloren oorlogen, de verpaupering als gevolg van internationale sancties en de ineenstorting van de economie, de emigratie van duizenden intellectuelen en de komst van honderdduizenden vluchtelingen uit achtereenvolgens Kroatië, Bosnië en Kosovo. Zij verkeren in een collectieve apathie.

Het bombarderen van de infrastructuur en fabrieken heeft in Servië een zware wissel getrokken. Snelwegen zijn vrijwel leeg omdat niemand benzine kan betalen. Waar brandstof op de bon verkocht wordt, staan kilometerslange rijen; wie om half vier 's ochtends aansluit is (zijn auto voortduwend om brandstof te besparen) met een beetje geluk om vijf uur 's middags aan de beurt. De winkels liggen weliswaar vol, maar schoenen, kleding en zelfs levensmiddelen kunnen in vier maanden worden afbetaald, 'anders koopt niemand iets', verzucht de eigenaar van een boetiek in Belgrado.

De Servische oppositie gokt erop dat de apathie de komende dagen zal omslaan in een massale volkswoede. De opkomst van 150 duizend demonstranten op 19 augustus jongstleden, wanneer heel Belgrado normaal gesproken op vakantie is, was hoopgevend. 'Deze demonstraties zullen niet slechts één dag duren, maar net zolang tot Milosevic aftreedt en nieuwe verkiezingen gehouden kunnen worden', zegt Vuk Obradovic, leider van de Sociaal Democraten en lid van de Alliantie voor Verandering.

Mocht de oppositie falen een grote mensenmassa op de been te krijgen, dan ligt dat in ieder geval niet aan een gebrek aan afkeer onder de bevolking tegen Milosevic en zijn regime. Want die is na het verlies van Kosovo groter dan ooit. De anti-westerse stemming die aan het begin van de NAVO-bombardementen in Servië hoogtij vierde, is radicaal omgeslagen in een haat en achterdocht jegens het bewind en alles wat met politiek te maken heeft.

Alleen de autoriteiten en officiële instanties herinneren een buitenlander er graag aan dat hij in Belgrado weliswaar gedoogd wordt, maar niet welkom is. De ultra-nationalistische vice-premier Vojislav Seselj zegt vlak voor het afgesproken interview af. Hij wenst bij nader inzien toch geen 'representant van de NAVO-agressor' te woord te staan. Maar Seseljs afwijzing is niet representatief, de meeste Serviërs blijken behulpzaam en gastvrij, ook tegen verslaggevers uit NAVO-landen.

'Servië is verworden tot een triest land, vol aardige mensen die een zwaar leven leiden, en die zo stom waren om Milosevic in zijn destructieve nationalisme te volgen', zegt Bratislav Grubacic, hoofdredacteur van de onafhankelijke Engelstalige nieuwsbrief VIP. 'Want het is niet normaal om tien jaar lang oorlogen te verliezen, steeds armer te worden en nog steeds het regime niet omver te werpen. Serviërs zijn weliswaar vriendelijk en gastvrij, maar in politiek opzicht is er iets grondig mis in hun hoofd. Twee plus twee is hier nooit vier.'

Een groot probleem in de Servische politiek is het gebrek aan eenheid onder de oppositie. Dat was zo tijdens de massale straatprotesten in 1991, in 1993, in 1997 en is ook nu weer het geval. De oppositie is opgesplitst in tientallen partijtjes die niet zijn opgebouwd rond ideeën maar rond leiders. De belangrijkste oppositieleiders, Zoran Djindjic en Vuk Draskovic, koesteren een grotere haat tegen elkaar dan tegen Milosevic.

Volgens sommigen is de verklaring voor die verdeeldheid dat het socialisme in Joegoslavië niet zo dictatoriaal was als in andere Oostblok-landen, waar dissidenten wel de zittende macht omver wisten te werpen. Anderen gaan nog verder terug in de geschiedenis. 'De Tweede Wereldoorlog was in Joegoslavië vooral een burgeroorlog, die nog altijd niet is beslist', analyseert een sociaal-democratische oppositieleider. 'Nog altijd vinden er hier afrekeningen plaats tussen communistische partizanen en monarchistische chetniks.'

Volgens mensenrechten-jurist Dejan Janca, lid van het partijbestuur van de Democratische Hervormingspartij van Vojvodina, is het grootste probleem waar de Servische oppositie mee te kampen heeft 'de strijd tussen ego's', zegt hij in zijn kantoor in Novi Sad. 'Iedereen wil hier de belangrijkste zijn. Dat is een typisch Balkan-probleem, vooral in de politiek. En een ervaren manipulator als Milosevic weet daar handig gebruik van te maken.'

Dat lukte Milosevic in 1991, in 1993 en in 1997. En ook nu zijn de staatsmedia weer druk bezig de gemoederen te bespelen. Tegenstanders van de regering worden afgeschilderd als verraders in dienst van buitenlandse machten die erop uit zijn het land te vernietigen.

Dat de staatsmedia nog altijd een enorme macht hebben in Servië bleek tijdens de zonsverduistering op 14 augustus. Het ministerie van Gezondheidszorg waarschuwde op tv dat de eclips levensgevaarlijk was, vooral voor kinderen. 'Mensen raakten in paniek, en zijn de hele dag binnen gebleven. Belgrado was verlaten, het was bizar', zegt een verbijsterde Servische journalist. 'Ik realiseerde me dat je ons Serviërs kennelijk alles kunt wijsmaken. Als schapen doen wij wat ons wordt opgedragen.'

Sinds het einde van de NAVO-bombardementen hebben de media, naast het zwartmaken van de oppositie, een nieuw favoriet onderwerp: het westerse mismanagement in Kosovo. Televisiejournaals en kranten berichten dagelijks over de manier waarop de Kosovo-Albanezen de Servische minderheid onderdrukken. Telkens met nadruk op de onmacht en onwil van de KFOR-troepen om daar iets aan te veranderen.

Want Kosovo blijft de blinde vlek in Servië. Zelfs hoogopgeleide Serviërs, met toegang tot Internet en sateliet-tv, weigeren in te zien wat zich daar mede in hun naam heeft voltrokken. Zij klagen erover dat ze niet vrij kunnen reizen, en dat heel Europa anti-Servisch is. Want de echte slachtoffers, van zowel de NAVO als van Milosevic, dat zijn de Serviërs.

Goran Spasojevic, sportverslaggever bij de oppositiekrant Nezavisma Svetlost, over etnische zuiveringen in Kosovo: 'Kun jij bewijzen wat er is gebeurd? Ik heb nog geen overtuigende bewijzen gezien.'

'Wij lijden aan collectieve ontkenning', geeft Grubacic, als een van de weinigen, toe. Hoeveel bewijzen er ook zijn dat Albanezen massaal uit Kosovo zijn verdreven en dat er op grote schaal is gemoord, voor de meeste Serviërs staat als een paal boven water dat hier sprake is van een groot internationaal complot. De Albanezen zijn gevlucht voor voor de NAVO-bommen, of zijn verjaagd door de UCK-strijders die de media en de publieke opinie wilden manipuleren.

Meestal worden de Amerikanen aangewezen als de grootste aanstichters van ellende op de Balkan. Milan Bozic, vice-voorzitter van de partij van Draskovic (SPO) en loco-burgemeester van Belgrado: 'Amerika wil de Balkan instabiel houden omdat het bang is dat de Europese Unie anders te machtig wordt. Servië is het grootste slachtoffer van de internationale machtspolitiek.'

Maar er zijn ook Serviërs die het collectieve slachtofferschap zat zijn dat Milosevic gedurende tien jaar zo handig wist te cultiveren. De 68-jarige gepensioneerde lerares Dobrila Todorovic verwoordt het tijdens de demonstratie van 19 augustus nog het duidelijkst: 'Als negentien landen zich tegen ons keren, dan wordt het misschien tijd dat we accepteren dat er iets verkeerd zit hier in Servië. Dat wij, en niet de rest van de wereld, moeten veranderen.'

Meer over