SER-akkoord over aanpak WAO-probleem deugt niet

De SER speelt de geschonden jongejuffrouw, nadat het Centraal Planbureau het SER-compromis over de WAO heeft gekraakt, signaleert Dik Wolfson....

AFGELOPEN donderdag bracht het Centraal Planbureau naar buiten dat het concept-akkoord van de SER over de WAO weinig of niets oplevert. Staatssecretaris Hoogervorst heeft inmiddels geopperd dat het kabinet dan maar aan een eigen oplossing moet werken. Ook afgezien van de opbrengst deugt het akkoord van de SER niet. De inhoud bestaat uit wat wisselgeld, twee prettige regelingen die werkgevers en werknemers elkaar al kwartettend hebben toegespeeld, en de herintroductie van een onwerkbare oplossing.

Allereerst het wisselgeld. Dat is het beste wat het advies te bieden heeft: een poging om de instroom in de WAO in te dammen door de kring van gerechtigden wat te beperken. De commissie-Donner deed alsof gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid niet bestond, met haar voorstel om de WAO alleen open te stellen voor mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn verklaard. In die gedachtengang had iemand die bijvoorbeeld nog maar halve dagen mag werken geen recht meer op een WAO-uitkering, maar hooguit op een werkloosheidsuitkering die uitliep in de bijstand. Dat ontmoedigt mensen die zoveel mogelijk willen blijven werken.

De SER komt aan dat bezwaar tegemoet met een drieluik: een reguliere WAO-uitkering voor mensen met een onomkeerbare en ernstige handicap (80-100 procent arbeidsongeschikt, conform Donner); een wettelijk verplichte loonaanvullingsregeling met 70 procent van het verlies aan verdiencapaciteit voor substantiële beperkingen (35-80 procent arbeidsongeschikt) en, ten derde, géén wettelijke rechten bij lichte arbeidsbeperkingen (minder dan 35 procent arbeidsongeschikt). Dat laatste steunt op de gedachte dat voor lichtere beperkingen wel oplossingen kunnen worden gevonden in de individuele arbeidsrelatie, als werkgever en werknemer beide een beetje inschikken. De VVD heeft een wat grotere uitsluiting in gedachten, en de PvdA een wat kleinere. De SER biedt hier nuttig wisselgeld om dat gesprek verder te helpen.

Werkgevers en werknemers hebben allebei een duur cadeau bovenaan hun verlanglijstje. De werkgevers willen af van de Pemba, de wet die de werkgeverspremie voor de WAO varieert met het percentage van hun werknemers dat in de WAO terecht komt. Dat kan inderdaad flink aankomen, vooral in het midden- en kleinbedrijf, dat dit soort risico's zelf niet kan spreiden. De werknemers, op hun beurt, willen de uitkering voor onomkeerbaar arbeidsongeschikten graag verhoogd zien tot 75 procent van het gederfde loon (nu is dat 70 procent). Ook daarvoor zijn goede argumenten aan te voeren, want een terugval van 30 procent bij volledige arbeidsongeschiktheid is hard, zeker als daar nog een verlies aan loopbaanperspectief bijkomt.

Het advies van de SER belooft allebei. Prettig geregeld, maar de combinatie van een mindere prikkel om er iets van te maken bij zowel werkgever als werknemer is gevaarlijk, zeker als daarbij wordt teruggegrepen op een onwerkbare oplossing in de sfeer van de uitvoering.

Sedert de parlementaire enquête van Buurmeijer c.s. weten we wat ons te doen staat. We moeten private en publieke verantwoordelijkheden goed scheiden, en overdrachten tussen trajecten in de behandeling van individuele gevallen voorkomen. Per 1 april gaat nieuwe wetgeving in die geheel aan die dubbele uitdaging voldoet. De verantwoordelijkheid voor preventie en reïntegratie in het arbeidsproces is ongedeeld in de private sector gelegd; bij de individuele werkgever en werknemer, bijgestaan door private arbodiensten en reïntegratiebedrijven. Als het dan toch niet lukt, is er één publieke verzekeraar die over het hele traject de uitkering waarborgt, en één publieke 'poortwachter' die de poort naar die uitkering bewaakt. Die poortwachter toetst of werknemer en werkgever zich naar behoren hebben ingezet om de schade te beperken. Zo ja, dan verzorgt hij de keuring en, zonodig, de toegang tot de publieke uitkering. Zo nee, dan moeten ze hun huiswerk overdoen. Dat werkt.

De SER loopt hier dwars doorheen. Het advies legt het middendeel van de inkomenswaarborg (35-80 procent verlies aan verdiencapaciteit) bij private verzekeraars en eist daar de poortwachtersfunctie op voor 'private actoren'. Wie dat dan zijn, wordt er niet bij verteld, maar fout gaat het hoe dan ook. Als het die private verzekeraars zijn, dan zullen ze beperkingen onder in het traject van 35-80 procent bagatelliseren om onder de uitkeringsgrens te komen, en bovenin het traject de schade uitvergroten om de claims af te wentelen op de publieke poortwachter. Dat werkt nu eenmaal zo bij een opdeling in trajecten, en daar is uitgebreid voor gewaarschuwd in het WRR-rapport over de WAO van 1997 (Van verdelen naar verdienen). Als het aan werkgevers en werknemers zélf ligt, worden we geconfronteerd met het herleven van de 'kleine commissies' die de WAO in de jaren tachtig als afvloeiingsregeling gebruikten. Hoe dan ook, de bestaande uitvoeringsorganisatie, die met de nieuwe wetgeving eindelijk meende te weten waar ze aan toe was, wordt nu écht gek gemaakt. Terug naar af, na tien jaar. De gevalsbehandeling en de poortwachtersfunctie worden in de gedachtengang van de SER weer versnipperd en ondoorzichtig gemaakt. De checks and balances die er voor moeten zorgen dat het systeem dienstbaar wordt aan een optimale reïntegratie van zieke werknemers worden gesloopt, in een spel om de macht ten koste van de mensen om wie het gaat. Nu het kabinet zich kan beroepen op het slechte rapportcijfer van het Centraal Planbureau raakt het toch al veel te grote geduld op, en speelt de SER de geschonden jongejuffrouw.

De loonaanvullingsregeling voor de 'middengroep' van mensen met een verlies van verdiencapaciteit van 35-80 procent, lijkt mij een goed alternatief voor het merkwaardige voorstel van de commissie-Donner om die mensen uit het probleem weg te definiëren. Daarom heb ik die oplossing genoemd in mijn commentaar op Donner in Socialisme & Democratie van juni 2001. De gedachte speelt al lang, en het bezwaar dat deze optie de marktwaarde van minder produktieve werknemers onder druk zou kunnen zetten is niet meer actueel, in de huidige krappe arbeidsmarkt. Knippen in verantwoordelijkheden, zoals de SER wil, is evenwel hoogst ongelukkig, en zou onaanvaardbaar moeten zijn voor een wetgever die zelf net een andere en betere weg is ingeslagen. Het hoeft ook niet, want een loonaanvullingsregeling is juist beter uitvoerbaar in een ongedeeld publiek verzekerings- en poortwachterstraject. Naarmate het reïntegratie- en keuringsproces beter functioneert, kan de Pemba in stappen worden afgebouwd en vervangen door een verdere verlenging van de verplichting van de werkgever om het loon door te betalen bij ziekte (nu al twee jaar). Bij een succesvolle uitvoering kan dan ook de uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid omhoog. Minder prettig, maar eerst de beer, en dan de huid. Aldus geamendeerd kan het SER-advies nog een rol spelen.

Meer over