Schutting

HET IS voorjaar en ik wandel door de tuin. Ik doe dit met kleine stappen, want zo groot is die tuin nu ook weer niet....

Achter in de tuin is een schutting. Die vormt de grens. Ik voel geen behoefte erover te klimmen. Wel betast ik even het hout. Het is niet meer van de stevigste kwaliteit, maar zal nog wel een tijdje meegaan.

Als ik een jongetje was zou ik de behoefte voelen om over die planken begrenzing te klauteren. Uit nieuwsgierigheid naar wat erachter ligt, maar ook gewoon omdat zij er is. Haar aanwezigheid daagt uit. De schutting vraagt erom.

Op schooldagen beklimmen de kinderen van de school schuin aan de overkant de papierbak die langs het trottoir staat. Even zijn ze twee keer hun lengte en overzien ze het gebied van de straat. Ze zijn aan het aardse ontstegen en kijken neer op de hoofden van hun leeftijdgenoten. Zelfs de surveillerende onderwijzer zijn ze kortstondig de baas.

Ik heb ook geen enkele reden om de grens die de schutting vormt te overschrijden. Mijn bal ligt niet in de andere tuin en mijn huis staat niet in brand. Niemand beschiet me. Ik moet dankbaar zijn voor de schaamteloze veiligheid waarin ik leef.

Op de televisie zie ik de vluchtelingen, ver van mijn huis en tegelijkertijd in mijn huis. In het begin hadden ze nog zoveel mogelijk van hun hebben en houden bij zich, nu alleen nog maar een plastic zak, een omslagdoek en veel kinderen. En tranen.

De dichter Rendra schrijft: 'Achthonderd kilometer vlucht ik/ en almaar zie ik jouw gezicht./ Jouw gezicht is een vernederd gezicht/ waaraan rechtvaardigheid ontzegd is.'

Remco Campert

Meer over