Schrijvers aller landen... (5)

Je hoort zo wel eens wat, op straat, in metro's en café's, maar je hoort eigenlijk nooit iemand spontaan het woord voeren over Clinton, Dole en de aanstaande verkiezingen....

STEPHAN SANDERS

Ik ken een paar mannen die het doen, praten over politiek, en een enkele vrouw, maar die werken voor de televisie en worden ervoor betaald. Veel exemplarischer is het volgende: vlak voor het laatste presidentiële debat ontving ik een uitnodiging om een filmpremière bij te wonen. Kleine productie, zeer artistiek, uitsluitend voor mensen die al zoveel films hebben gezien dat ze eigenlijk alleen nog letten op de kadrering. Ik bedank vriendelijk, en zeg: 'Nou ja, dit keer wint de televisie het toch echt van het filmhuis.' Beleefd, maar niet begrijpend lachje aan de andere kant van de lijn. Hoe bedoel je? Oh, het debat. Is dat vanavond? En dan zegt de vrouw, die geen documentaire uit Kazachstan met droge ogen kan aanschouwen: 'Dat vind ik nou zo leuk aan Europeanen, dat jullie al die dingen bijhouden.'

Al die dingen. Leuk. Frutsels uit de oude doos.

'Maar het wordt wel jouw volgende president', zeg ik streng.

'I guess.' En dat is niet zozeer een antwoord, als wel een zucht van verveling.

Er bestaat wel zoiets als een gesprek van de dag, maar dat is verkaveld, opgedeeld naar groepen die ieder strikt in hun eigen interessesfeer leven. Gisteren op het vliegveld van Chicago zat ik naast twee vrouwen, allebei gekleed in Chanel-achtige mantelpakjes die niets dan goede smaak verrieden en een nog beter inkomen. Op de een of andere manier kon je ook zien dat er geen mannenhand aan te pas was gekomen om voor die kleren te betalen. Er werd gewacht, op horloges gekeken, maar niet behaagd.

Niemand kende niemand, we knikten beleefd, en volgden met een half oog het tv-journaal. Maar op het moment dat de foto van O.J. Simpson in beeld verscheen, leek het alsof twee oude schoolvriendinnen elkaar na lange tijd weer gevonden hadden. Dat het een schande was. Die moordenaar. Dat geen blanke jury die vent had laten lopen. Ze gingen nog even door, op die ongelofelijke familiaire toon waardoor Amerikanen in twee minuten kunnen veranderen van voorbijgangers in familieleden, en keken toen geschrokken en licht wantrouwend naar mij. Want hoorde ik misschien ook bij de idioten die dansend de straat op gingen toen O.J. werd vrijgesproken?

Ik zweeg, maar kennelijk deed ik dat op zo overtuigend Europese wijze dat ze hun gesprek vervolgden, ietsje gedempter nu.

Blank praat over Simpson, of het nu in San Francisco is, in Chicago of Iowa City. Zijn zaak is geen soap, zoals je in Europa vaak hoort, maar net zo belangrijk en explosief als destijds de Franse Dreyfus-affaire (al valt het moeilijk om even onvoorwaardelijk in Simpsons onschuld te geloven als in die van de Franse militair). Als er op dit moment een politieke partij zou zijn met maar een programmapunt, namelijk 'Put Simpson in Jail', dan zou die de verkiezingen winnen. Op dit punt bestaat er tussen blank en zwart dezelfde vertrouwensbreuk als tussen de seksen, en die ook daar al voor zoveel verrassingen heeft gezorgd. 'Hij wil maar een ding: en toch wil zij iedere keer weer weten wat dat dan is.' Vruchteloze misverstanden.

In dit geval is de situatie nog hopelozer, want terwijl blank Simpsons vrijlating categorisch veroordeelt, en zwart het lekker puh vindt, komen beide groepen elkaar niet automatisch tegen in de slaapkamer, en duurt de vete eindeloos voort.

Omdat Amerika een tribale samenleving is, en ik hier tot de Zwarte Stam wordt gerekend, ken ik ook dat groepsgesprek inmiddels op mijn duimpje. Naast Simpson komt de rap aan de orde, en onvermijdelijk ook de Million Men March. Ter herinnering: een jaar geleden riep Louis Farrakhan een miljoen zwarte mannen op naar Washington te komen, om daar hun spijt te betuigen over begaan onrecht jegens vrouwen, kinderen en elkaar. Ik heb er destijds ook over geschreven, of preciezer gezegd tegen, want die Farrakhan is een antisemitische fundamentalist en een graag geziene gast in Libië en Iran. Het is zo'n man van wie je alleen maar zijn vrienden hoeft te kennen.

Het pubiek dat aan die mars deelnam, moet diverser zijn geweest dan ik vermoedde, want ik heb te veel zwarte mannen ontmoet, van schoonmakers tot hoogleraren, die niets in Libië zien noch in de Protocollen van Zion, en die toch present waren in Washington. De meesten reageren geïrriteerd als je Farrakhan ter sprake brengt. Ze waren er eerder ondanks dan dankzij hem, krijg ik de indruk. Het moet zo'n demonstratie zijn geweest waarbij de leider het grootste obstakel vormde.

Bovendien is die bijeenkomst in ieder geval voor een ding goed geweest: Spike Lee heeft er een film over gemaakt. 'Get on the bus' en die is briljant. Alles wat tegen de mars in te brengen valt - en dat is veel - wordt hardop uitgesproken door Lee's personages, die zich nu eens niet hoeven te beperken tot bête devotie, zoals dat het geval was in zijn eerdere film 'Malcolm X'.

Verhaal: twintig mannen, die weinig met elkaar gemeen hebben, behalve dan dat je ze met een beetje goede wil zwart kan noemen - eentje is net zo licht als ik, en die verklaart dan ook de hele tijd op gedragen toon dat hij Zwart is -, nemen in Los Angeles de bus die hen naar Washington zal brengen, vierduizend kilometer verderop. De sfeer houdt het midden tussen een schoolreisje, een voetbaluitstapje en een pelgrimage. Terwijl ze door de woestijn reizen en het zand opstuift, moet je als kijker onmiddellijk denken aan Mozes en de farao's, aan Egyptische zandvlaktes, aan Let my People go, en het verlangen naar het Beloofde Land. Zoals elke roadmovie kent ook deze bijbelse dimensies.

In de bus is het warm, benauwd zelfs, want er is voldoende springstof aanwezig om het hele idee van zwarte solidariteit in een keer op te blazen. De macho die zeker weet dat het de aangewezen taak is van iedere zwarte man om zoveel mogelijk 'pussy' te scoren, maakt kennis met de zwarte homo, die het net uit heeft gemaakt met zijn geliefde. De politieman uit Los Angeles zit schouder aan schouder met het voormalige bendelid, die nog een paar van zijn collega's heeft neergeschoten. De vader praat voor het eerst van zijn leven met zijn zoon, die hij, true to stereotype, meteen bij zijn geboorte heeft verlaten. En de geslaagde Republikein kijkt neer op iedereen die niet in een auto van 75 duizend dollar rijdt.

Lee laat ze luidkeels met elkaar overhoop liggen, en lijkt zich niet te storen aan het oude adagium dat zwarten nooit en te nimmer de vuile was buiten mogen hangen. Want blanken zouden daar hun voordeel mee kunnen doen. Want zwarten mogen vooral geen aanleiding geven.

In die zin is zijn film net zo onbeschaamd en compromisloos als Ralph Ellison's roman 'Invisible Man' destijds. Goed, op het einde wordt Lee sentimenteel, maar dat schijnt onvermijdelijk te zijn bij Amerikaanse films voor het grote publiek.

Ik stap behoorlijk aangedaan de bioscoop uit, vervuld van mooie, solidaire dingen. Een donkere straat in downtown Chicago. Drie zwarte bedelaars hebben zich precies bij de uitgang geposteerd: die weten wanneer ze het ijzer moeten smeden.

Het is zo'n film waar je dagen over na kunt praten, peins ik terwijl ik naar het hotel loop. Heel anders dan over Dole, Clinton en de politiek.

En was de situatie omgekeerd, dan leek Amerika op Rusland.

Ik bedoel maar.

Meer over