'Schrijven is voor mij als een drug'

Tot nu toe schreef Jon Fosse vijfentwintig toneelstukken, die over de hele wereld worden gespeeld, van Japan tot Amsterdam. De vergelijking met zijn beroemde landgenoot Ibsen gaat echter niet op, vindt hij....

De nieuwe Ibsen wordt hij genoemd. Toneelschrijver Jon Fosse (45) uit Noorwegen, die momenteel een ongekende populariteit geniet in toneelspelend Europa.

Zijn stukken worden overal gespeeld, vorig jaar 150 producties over de hele wereld, tot in Japan en Teheran toe. Ook in Nederland. Momenteel is het succesvolle Een zomerdag weer te zien (regie Olivier Provily), en later dit seizoen wordt De Naam, het regiedebuut van Jacob Derwig bij De Theatercompagnie, hernomen.

Dit weekend was Fosse even in Amsterdam. Voor het eerst. De Nachtwacht gezien, een rondvaart gemaakt. Jammer van die regen, maar ach, in Bergen (Noorwegen) waar hij woont regent het ook vaak.

Op het eerste gezicht is hij een verlegen, dromerige man, met een naar binnen gekeerde blik. Maar zodra hij gaat praten, komt hij tot leven.

Zelf relativeert hij de eeuwige vergelijking met Ibsen. 'Noorwegen is een klein land. Literair is er weinig anders dan Ibsen waar het land op kan bogen. En mijn stukken maken opgang. Dus ben ik de nieuwe Ibsen.'

Op school had hij een hekel aan Ibsen. Hij vond hem een destructieve duivel. 'Bij Strindberg is er behalve haat ook nog liefde. Bij Ibsen zijn het vernietigende krachten van buitenaf die het handelen van de personages bepalen. Maar hij is een geweldenaar, je kunt niet om hem heen.'

Misschien gaat de vergelijking toch minder mank dan op het eerste gezicht lijkt. Is ook in zijn stukken traag, vol stiltes en een posche taal die vol herhalingen zit de destructie niet volop aanwezig? Die uitzichtloze Noorse treurigheid? Die oneindige stilte van het fjord? De onontkoombaarheid van het lot?

Fosse geeft het toe, maar werpt tegen dat er ook hoop en verzoening is. Zijn kijk op de wereld mag somber zijn, hopeloos is de situatie niet.

Fosse was driewintig toen zijn eerste roman werd uitgegeven. En vanaf dat moment is hij een schrijver met een enorme productie. Vijftig romans, vijf dichtbundels en zo'n vijfentwintig toneelstukken heeft hij nu op zijn naam staan.

In 1992 schreef hij zijn eerste toneelstuk. Het was hem vaak gevraagd, maar hij weigerde. Hij wist niets van toneel. 'Ik denk dat mijn romans geschikt leken voor het theater: weinig personages en er hing altijd een grote spanning tussen de figuren. Pas op het moment dat ik zonder geld zat, gaf ik toe. En het werkte.'

Hij had geen idee of zijn teksten geschikt zouden zijn voor het toneel. Dat vindt hij nog altijd moeilijk te beoordelen. 'Mijn dialogen zijn heel open, ze bieden regisseurs en acteurs een grote vrijheid, maar de onderliggende structuur, de situatie, ligt vast. Dat zie je ook in de grote klassieke stukken: daarin zit veel ruimte voor interpretatie, maar de structuur, de opbouw is vaak strak.'

Hij gaat schrijven zonder vooropgezet plan in zijn hoofd. En dan ontstaat het stuk min of meer vanzelf, al improviserend en varind. Hij ziet geen gezichten voor zich, geen beelden. Hoogstens hoort hij een melodie.

'Als kind speelde ik gitaar. Daar ben ik op een goed moment mee opgehouden en dat heeft zich doorgezet in het schrijven. Mijn dialogen zijn muzikaal. Niet wat klank betreft, maar wel in het ritme. De variatie in de lengte van de zinnen. En dat verdwijnt niet in een vertaling. Zelfs in het Japans deden mijn stukken heel vertrouwd aan.'

Eenzaamheid, isolement, de onmogelijkheid de pijn van het leven met een ander te delen, dat is zijn thema. Typisch iets van deze tijd. 'Misschien zijn mijn stukken daarom wel zo gewild. Wat werkelijk belangrijk is, wordt niet gezegd. Dat zit in de ruimte tussen twee mensen. Wat daar precies gebeurt, daar begrijpen we heel weinig van, dat zijn louter vermoedens. Dat mysterie wil ik voelbaar maken.'

Als schrijver heeft hij de stilte nodig van zijn huis aan een Noors fjord. Daar verdwijnt hij in een andere wereld. 'Een mooiere wereld waar het veel prettiger is. Schrijven begon voor mij als een vlucht. En nog steeds is het bijna een religieuze ervaring, een drug. Het is mijn grootste geluk. Dat is ook gevaarlijk. Je kunt te ver gaan in je fantasie. Dat is ongezond, je isoleert jezelf. Mijn familie moet mij telkens terugbrengen in het leven van alledag.'

Bij hem geen personages die zijn toegerust met een sociale context. We weten vaak niet meer dan hun naam. 'Ik zet zielen op het toneel. Het gaat mij om het unieke van een mens, wat de Quackers het innerlijk licht noemen. Wat iemand voor de kost doet, heeft daar niets mee te maken. Anekdotes interesseren mij niet. Het gaat mij om een atmosfeer, een stemming. Daarmee probeer ik de voorwaarden te scheppen waarin iets unieks kan gebeuren. En als het goed is, vliegt er een engel over het toneel.'

Een zomerdag van Jon Fosse, regie Olivier Provily, is nog t/m 3 november te zien op verschillende plaatsen in het land. De Naam van Jon Fosse, regie Jacob Derwig, van 7 t/m 24 december in het Compagnietheater in Amsterdam.

Meer over