Schrijven als een vorm van handen schudden

De veel gevraagde spreker en schrijver Henk van Os is een voortreffelijk kunsthistoricus, maar ach, wat heeft die man toch verschrikkelijk veel vrienden....

Kees fens

Het is een eerste zin die tot ongewone diepzinnigheid kan leiden. ‘Hebt u dat wel eens?’ Wat in het boek staat zal een delen van ervaringen worden, een herkenning van lezer en schrijver in de omgang met de beeldende kunst. Een schitterende zin, dacht ik. Hij bleek, gezien de volgende weinig indringende zinnen, gewoon een lichte banaliteit, die zich alleen aan het begin van een toespraakje kan handhaven.

Maar we zitten in een boek en niet in een zaaltje met andere welwillenden, die de spreker bewonderen en zo’n zin licht lachend wegslikken. Henk van Os – hij is de schrijver van die eerste zin – was voor de televisie een ongewoon begaafd spreker en explicator. Hij stond altijd kaarsrecht, keek ons aan, verklaarde op even gemakkelijke als ingenieuze wijze een schilderij of een beeld en – het knapste – hij hield het kort. De ernst van de eerste jaren liep uit in een vorm van populisme: spreker en kijker begonnen te dicht bij elkaar te komen. We werden toegesproken. ‘Hebt u dat wel eens?’

De veel gevraagde spreker wordt een veel gevraagde schrijver. Zijn kijkers worden zijn lezers. Ze worden op gelijke wijze behandeld; de schrijver komt ze te zeer en te persoonlijk tegemoet. En dan krijg je een begin als ‘Hebt u dat wel eens?’. Het is de eerste zin van het jongste boek van Henk van Os, Augustinus op het strand (op het omslag de afbeelding van Augustinus en het zeewater scheppende kind uit de kerk van San Gimignano). Het boek is een verzameling van eerder elders gepubliceerde teksten. Ze zijn in vier categorieën ondergebracht: ‘Ogenblikken’, een soort columns, ‘Essays’, ‘Vanwege vrienden’ en ‘Persoonlijk’.

De laatste betiteling (voor vijf stukjes) is de ongewoonste; het hele boek heeft een sterk, te sterk persoonlijk karakter. De schrijver – met zijn leven en ervaringen – is in heel wat stukken haast vooropgezet aanwezig, haast even direct als de gevierde spreker in een zaal is. In drie tijdperken van zijn leven treedt de auteur op: zijn jaren als student en docent kunstgeschiedenis in Groningen, zijn studietijd in Italië (Van Os is, ten overvloede wellicht, een groot kenner van en schrijver over de vroeg-Siënese kunst) en zijn tijd als directeur van het Rijksmuseum.

De verwijzingen zijn meestal snippers; ik wou dat Van Os de ernst van een boek van herinneringen aan durfde.

De stukken laten zich (als we laatste twee rubrieken terzijde laten) in twee soorten verdelen: de direct handelende over beeldende kunst en die over vraagstukken rond de beoefening van de kunstgeschiedenis, zoals die zichtbaar kunnen worden in exposities.

Het essay ‘De beugel van kunsthistorici’ is een uitstekend (en uitstekend gedocumenteerd) specimen van de tweede soort. Hier is Van Os schrijver en de ideale leraar, die ons met het woord ‘lulkoek’ weer terughaalt in de les. Waar hij zeer dicht bij het kunstwerk blijft – het essay over een reliekhouder uit de Hermitage, Rembrandts Het offer van Abraham, het schilderij Maria door de duivel bezeten van Antonio Vivarini – is hij op zijn best.

Misschien had hij de verzameling tot deze soort stukken moeten beperken. Het had ons stukken als ‘Het kasteelgevoel bij Huis Bergh’ bespaard, in elk geval het vreselijke begin – het cliché als toegang. ‘Huis Bergh prikkelt het kasteelgevoel meer dan elk ander kasteel in Nederland. Althans zo vergaat het mij wanneer ik onder het lommer van de smalle toegangsweg doorloop en achter het groen dat enorme bouwwerk zie optorenen aan gene zijde van de slotgracht.’

Ik ben verbaasd, dat iemand die zo subtiel over een kunstwerk kan schrijven, ook een dergelijke taal (nogal druk aanwezig in het boek) in huis heeft. Die taal manifesteert zich ook in theoretische stukken die te gemakkelijk van onderwerp en gedachten zijn: misschien als praatje of stukje in een krant kunnen ze even leven, maar voor verder leven missen ze kracht. Wat misschien het meest teleurstelt, is het titelstuk; tussen niet te zware mijmerijen (van het ‘heeft u dat ook’ type ) staat beknopt en zonder de prikkeling van de interpretatie, de schitterende legende (althans één versie ervan).

Een druk leven met vrienden en relaties wordt in het boek ook zichtbaar. Van Os heeft van de ene vriend nog geen afscheid genomen of de volgende dient zich aan. De kunsthistorische wereld moet wel de drukste en meest sociale uit onze zo zwijgzame maatschappij zijn. Al die vriendendrukte en -karakteriseringen maakt de afdeling ‘Vanwege vrienden’ lichtelijk beschamend: schrijven als een vorm van handen schudden en schouder kloppen.

Van Os had veel Van Os uit het boek moet schrappen. Er zou een mooi geschrift zijn overgebleven voor de vreemdelingen die de meeste lezers zijn. Maar het is het noodlot van de populariserende spreker en schrijver velen als vrienden te beschouwen en door velen ook als vriend te worden beschouwd.

De architect Cees Dam verklaarde op de televisie twaalfhonderd vrienden te hebben. . . Het is aan zijn gebouwen te zien. Ik denk dat Henk van Os dat aantal benadert. Maar voor schrijven en meningsvorming kun je beter twaalfhonderd vijanden hebben. Dat houdt het proza strak, maakt het mooi stekelig, en voor de inhoud wordt diep geput.

Het allerergste is de illustratie op pagina 110: ‘Henk van Os als bodybuilder.’ Men hoort zichzelf ook niet in het naakt aan een ander bloot te geven. Voor het overige is het boek prachtig geïllustreerd en zijn de stukken over een schilderij van de heilige Lucia – het hing jarenlang in de Groningse werkkamer van Van Os – en het vrij omvangrijke essay ‘Stilleven in woelige tijden’ zelfs een herlezing meer dan waard.

Meer over