Schrijnend beeld van oorlogskunst

Nederlandse kunstwerken die tijdens de bezetting naar Duitsland verdwenen, keerden na de bevrijding nauwelijksterug naar hun rechtmatige eigenaar. In het Fries Museum is nu te zien hoe moeizaam dat proces verliep....

De Duisters koesterden er van meet af aan een 'warme' belangstelling voor: voor het Portret van Dr. Ephraïm Bueno (1645), een klein paneeltje van Rembrandt dat nu in het Rijksmuseum hangt, maar vóór de Tweede Wereldoorlog toebehoorde aan Fritz Mannheimer - de joodse bankier en eigenaar van een gigantische kunstcollectie, die sinds de jaren dertig was gevestigd in Amsterdam.

Nederland was dan ook nog maar net bezet, of verschillende Duitse verzamelaars zagen hun kans schoon om toe te slaan. Waaronder ook Adolf Hitler, die de Mannheimer-collectie uiteindelijk via zijn uitgebreide netwerk van kunstronselaars aankocht. Inclusief het portret van Ephraïm Bueno. Want ook al was de geportretteerde een welgestelde Portugees-joodse arts - dat kon de nazi's niet deren. Een Rembrandt was een Rembrandt.

Het portret hangt nu in het Fries Museum Leeuwarden op de tentoonstelling Herkomst gezocht. Over de teruggave van kunstvoorwerpen na de Tweede Wereldoorlog. Temidden van tientallen andere kunstwerken en voorwerpen die afkomstig zijn uit Nederlandse musea, en die één ding gemeen hebben: ze illustreren een oorlogsverleden.

Van topstukken als het als het Portret van Saskia (1633) door een leerling van Rembrandt of het achttiende-eeuwse Het Kraambezoek van Cornelis Troost tot tweederangs kopieën naar zeventiende-eeuwse meesters of serviezen van Chinees porcelein - allemaal zijn ze tijdens de oorlog, vrijwillig of onder dwang, aan de Duitsers afgestaan. Na de bevrijding werden ze teruggehaald naar Nederland, waar ze - als onderdeel van de zogenaamde NK-collectie - toevielen aan de staat.

Op tekstborden en met zwart-witfoto's wordt van elk kunstwerk de oorlogsgeschiedenis verteld. Maar vooral ook: over de problemen bij de teruggave van kunstvoorwerpen, na 1945, aan de rechtmatige eigenaren.

Want na de oorlog haalde de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) weliswaar duizenden voorwerpen terug naar Nederland; de teruggave aan voormalige bezitters verliep minder voortvarend. Wie vrijwillig aan de Duitsers had verkocht, had geen recht op teruggave. Wie beroofd was wél.

Veel voorwerpen, oordeelde de SNK, kwamen daardoor niet in aanmerking voor teruggave. Vierduizend voorwerpen werden in de jaren vijftig geveild, van de rest (4217, waaronder 1600 schilderijen) werd een deel in bruikleen gegeven aan musea en overheidsgebouwen. Tot 1952 werden slechts 450 claims gehonoreerd.

Op dat minzame beleid van de SNK ontstond de laatste tijd veel kritiek. In 1998 werd daarom het Bureau Herkomst Gezocht opgericht, dat opnieuw de geschiedenis van oorlogskunst in rijksbezit onderzocht. En de commissie-Ekkart, die regels formuleerde voor een soepeler teruggavebeleid. En een restitutiecommissie die claims opnieuw beoordeelt.

Hoewel de tentoonstelling Herkomst gezocht gebaseerd is op onderzoek van deze nieuwe instellingen, bezigen de tekstborden in het Fries Museum lang niet altijd dezelfde klare taal. De commissie-Ekkart omschreef het teruggavebeleid van de SNK als 'formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos'. De tentoonstelling rept liever over 'moeizaam'.

Toch schetst de tentoonstelling tussen de regels door een ontluisterend beeld van de schrijnende situatie na de oorlog. Zo moesten claimanten aan de SNK bewijzen dat zij hun eigendom onvrijwillig aan de Duitsers hadden afgestaan. Maar wat was vrije wil en wat was dwang in een tijd van intimidatie en anti-semitische maatregelen? Het schilderij Vrolijk Gezelschap van Dirck Hals bijvoorbeeld werd in 1941 door de joodse eigenaar onder dwang verkocht aan een Duitser die hem een uitreisvisum in het vooruitzicht stelde. 'Vrijwillige verkoop', besliste de SNK desondanks.

Wás de onvrijwillige verkoop al bewezen, dan kregen de claimanten hun eigendom alleen terug wanneer zij de staat het bedrag betaalden dat ze destijds met de Duitsers overeen waren gekomen (maar vaak nooit hadden ontvangen). Veel door de oorlog berooide eigenaren zagen daarvan af.

Wrang was het beleid van de SNK. Maar de stuwende kracht achter dat beleid was nog wranger - en die blijft in het Fries Museum onvermeld. De houding van de SNK, zo bleek onlangs uit onderzoek van het Bureau Herkomst Gezocht, werd in hoge mate bepaald door de wens een grote nationale kunstcollectie op te bouwen met de kunst die uit Duitsland werd teruggevorderd. Daarom zocht de SNK bij de recuperatie vooral naar topwerken. Voor kunst van 'tweede garnituur', waarvan juist een groot deel afkomstig was uit joods bezit, was veel minder aandacht. Net als voor de teruggave.

Zo wordt steeds meer van het oorlogsverleden van 's rijks kunstbezit ontsluierd. Al is nog niet alles bij Bureau Herkomst Gezocht bekend. Het Fries Museum toont een dertigtal schilderijen en meubels waarvan de herkomst nog onbekend is. Wie meer weet, kan zich melden - middels een briefje in een bus die aan het eind van de expositie staat.

Meer over