Schoppen tegen het zere been

Dolph Kohnstamm is eindelijk vrij, na zijn afscheid als hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de Leidse universiteit. De vitaal, opstandige en veeleisende Kohnstamm is bitter....

MIRJAM SCHOTTELNDREIER

Free at last, eindelijk vrij. Zo voelt Dolph Kohnstamm (61) zich na zijn vertrek in februari als hoogleraar ontwikkelingspsychologie bij de Leidse universiteit.

Er was geen deftige afscheidsrede of een indrukwekkend afscheidscollege. Wel een receptie waar de computerschermen flikkerden, vol Internet-groeten van collega's uit alle hoeken van de wereld. 'Beste Dolph, je hebt altijd te veel achter hypes aangelopen', luidde de kritiek van vriend en collega professor Van Lieshout op deze moderniteit.

Kohnstamm zit er niet mee een culturele 'meeloper' te zijn. Vanuit z'n gezellige Amsterdamse grachtenhuis: 'Ik ben een groepsmens, ik voel me deel van de algemene ontwikkeling, dus tja.' Zijn vrouw Rita (ex-hoofdredacteur van zowel Ouders van Nu als Psychologie) heeft laatst nog bedacht hoezeer zij geboft hebben dat hun persoonlijke ontwikkeling steeds parallel liep aan die van de maatschappij.

'Wij waren vitaal, opstandig en veeleisend, toen de maatschappij dat was. Nu we ouder zijn en bijgevolg behoudender, is de maatschappij conservatiever geworden.' Symbolisch voor die Werdegang noemt hij het feit dat onlangs de laatste krakers achter zijn woning hun pand zijn 'uitgetimmerd'. 'Andere generaties zien hun levensgevoel niet weerspiegeld in de maatschappij. Dat geeft wrijving. Volgens Rita hebben we geluk gehad.'

Geluk is de aimabele kleinzoon van de befaamde natuurwetenschapper, pedagoog en theoloog Philip Kohnstamm, überhaupt niet vreemd. Twee kleinkinderen darren boven bij oma, nog eens vier heeft hij er in Brussel. In zijn beroepscarrière mocht hij deelnemen aan toonaangevend onderzoek. Hij bediende de overheid van menig advies, en met het Cultureel Woordenboek was hij onlangs nog in de publiciteit. Zijn huwelijkse leven lang geniet hij van een vruchtbare intellectuele alliantie met zijn vrouw.

Desalniettemin vormde zijn beroepsmatige leven geen gladde roetsjbaan naar het huidige vrijgestelde bestaan. Conflicten keerden met vaste regelmaat terug in zijn loopbaan. Eerst in Utrecht, waar hij assistent was van Langeveld, de befaamde hoogleraar pedagogiek en uitverkoren leerling van grootvader Kohnstamm.

Bij de aanvaarding van het ambt als lector, sprak Kohnstamm zich uit voor het gebruik van empirisch bewijsmateriaal en de toepassing van statistische technieken. 'Ik was voor empirisch onderzoek en vond niet dat je maar van alles kon beweren zonder dat te toetsen aan de realiteit.'

Dat was tegen het zere been. In de op de Duitse filosofen georiënteerde pedagogiek van Langeveld ging het om het 'verstehen' van de mens, het kind. In deze fenomenologische benadering stond de kwaliteit en de reflectie centraal, niet het meten en wegen, de kwantificering van menselijk gedrag. 'Op de receptie na afloop liep Langeveld briesend rond: hij er uit of ik er uit'

Kohnstamm probeerde daarop de ontwikkelingspsychologie los te weken uit het pedagogisch instituut en onder te brengen bij psychologie. Maar steun van de psychologen, die hun budget slechts zagen slinken, kreeg hij niet. Dat was de reden voor het vertrek uit Utrecht. 'Het was hoe dan ook pijnlijk, want Langeveld was een soort oom voor me.'

Aan zijn vertrek uit Utrecht, ging nog een ander conflict vooraf. Dat was geworteld in de geëngageerde wetenschap. Kohnstamm borduurde in Utrecht voort op een programma dat de Amerikaanse president Johnson in 1965 had aangeprezen als 'waardevol' en battle-tested. 'Het programma biedt meer dan een half miljoen kinderen de kans plaats te nemen naast meer bevoorrechte kinderen', aldus de president, die kort daarna vanwege de Vietnam-oorlog werd weggehoond als Johnson! Moordenaar'

Head Start heette het programma, dat vandaag nog als voorbeeld geldt voor stimuleringsprogramma's in Nederland. Kohnstamm en zijn medewerkers kwamen twee jaar later met het Taal-Denkprogramma, een aangepast Amerikaans programma. In de VS werd het de 'snelkookpan-methode' genoemd.

Dat taalcompensatie-programma vloeide voort uit het nobele doel van de emancipatie van arbeiderskinderen. 'Ver voor 1968 dachten wij al steeds maatschappelijker', benadrukt Kohnstamm, tegen de dreigende geschiedvervalsing in. Na verloop van tijd, toen het marxistische gedachtengoed veld won, ontstonden er spanningen in de onderzoeksgroep. 'Jan Rupp vond dat het programma teveel was gericht op aanpassing van arbeiderskinderen aan de middenklassenorm. Compensatie was een fout woord, het moest activering worden. Activering van verborgen talent.'

Kohnstamm vertrok naar Amsterdam, om daar met subsidie van de overheid de eerste Proefkreche op te zetten. Wederom vanuit de gedachte dat vroege stimulering van achtergestelde kinderen hun kansen zou vergroten. 'Toch waren de resultaten niet van dien aard dat we een positief advies hebben gegeven. Voor al dat geld dat er in gestopt zou worden, waren de effecten bij de kinderen te mager.'

Na dit intermezzo kon de 'rebel' uit Utrecht, die al van mening verschilde met de oervader van de denkpsychologie Jean Piaget ('Ik was ervan overtuigd dat je een kind eerder dingen kon leren dan Piaget zei.'), zijn hang naar cijfers en bewijzen botvieren in Leiden, waar hij hoogleraar werd. Bijna een kwart eeuw bracht hij er door.

En opnieuw liggen aan het vertrek, een paar jaar voor de verplichte pensioenleeftijd, strubbelingen ten grondslag. De affaire-Diekstra, een collega die van plagiaat werd beticht, speelde een rol. Maar terzijde. 'Het is mij in Leiden door sommigen zeker kwalijk genomen dat ik mij in Vrij Nederland nogal kras heb uitgelaten over Diekstra. Ik heb zijn plagiaat schaamteloos genoemd, en dat is me niet in dank afgenomen. Al spijt het me niet, ik sta er nog achter', zegt hij gedecideerd.

'Wat mij meer heeft gestoken, is de beoordeling van mijn werk door twee opeenvolgende commissies.' De eerste kritiek kwam uit de koker van de externe visitatiecommissie onder leiding van Nico Frijda. 'Ik had te weinig in het Engels gepubliceerd.' Een interne Leidse commissie vond dat het onderzoek bij ontwikkelingspsychologie niet meer van ouderwets hoge kwaliteit was.

Hij vindt de kritiek unfair. Ironisch: 'Ja jongen, dat krijg je ervan, dat heb je zelf in gang gezet, zou Langeveld nu zeggen.' Dat wetenschappelijke werk getoetst wordt, zoals in de nabije toekomst geen basisschool of middelbare school aan een vergelijkende prestatiebeoordeling ontkomt, acht hij onvermijdelijk.

'Maar ik vind de beoordeling eenzijdig. Ik vind dat de Nederlandse belastingbetaler wel wat terug mag krijgen voor zijn geld. Wat heeft die aan psychologisch onderzoek, dat objectief is en losgemaakt van de omgeving, zodat de internationale academische gemeenschap er wat mee kan?'

Daarnaast steekt het hem dat in de straffe beoordelingcriteria weinig waardering is voor al die andere, noodzakelijke activiteiten waardoor de wetenschap kan floreren. 'Ik heb door de jaren heen talloze mensen bij elkaar gebracht op conferenties. Ik heb auteurs in Amerika en heel Europa achter de broek gezeten voor wetenschappelijke bundels, waardoor de Amerikanen ook eens lazen wat er buiten hun land werd gedacht en geschreven.'

Daar worden geen 'punten' voor gegeven. Zomin als voor zijn bemoeienis met de introductie van Sesamstraat, ooit bedoeld als compensatieprogramma. Al relativeert Kohnstamm zijn historische rol. 'Dat was er zonder mij ook gekomen.'

Voor beoordelingscommissies telt evenmin dat met dit 'inverdiengeld', geld dat wordt verdiend met het adviseren van derden, jonge onderzoekers aan interessant onderzoekswerk konden worden geholpen. Zoals bij de herziening van het Cultureel Woordenboek, dat gedeeltelijk werd betaald uit zijn advies aan staatssecretaris Netelenbos van Onderwijs om af te zien van een 'kleutertest'. Kohnstamm: 'Het testen van vierjarigen heeft zo weinig voorspellende waarde, dat het zonde van het geld zou zijn.'

Over die frustraties is hij heen. De terreur van de citatie-index, de dwingende mal van duizenden voorschriften om in een erkend internationaal wetenschappelijk tijdschrift een artikel te mogen schrijven, ligt achter hem. Maar dat dertig jaar werken aan compensatieprogramma's nauwelijks iets heeft opgeleverd, zoals hij onlangs in een artikel concludeerde, lijkt niettemin een bittere afrekening van zijn arbeidzame leven.

Maar Kohnstamm ziet het, opnieuw, anders. 'Wat is nou dertig jaar in de wetenschap? Het vinden van een geschikt medicijn duurt vaak wel langer.' Zijn lichte vermoeidheid over het thema, vindt hij, mag geen reden zijn voor anderen ermee stoppen. 'Mensen blijven op zoek naar de mogelijkheden om kansen te verbeteren, en terecht.'

De interesse van het 'groepsdier' voor het achtergestelde kind blijft onverminderd. Net als die voor het welbevinden van de groep als geheel. Eerst waren er de compensatieprogramma's voor jonge kinderen, voortgekomen uit maatschappelijk engagement. Later was er het Cultureel Woordenboek, vol 'kennis die iedere Nederlander eígenlijk zou willen hebben', zoals Kohnstamm zelf de functie van het boekwerk omschrijft.

Die 'gemeenschappelijke canon' stoelt in oorsprong op het werk van de Amerikaanse Donald Hirsch en op de conservatieve kritiek van de Amerikaanse cultuurfilosoof Allan Bloom, die in zijn beroemde boek The Closing of the American Mind het multiculturele Amerika zag desintegreren. Ook in dit opzicht is een cirkel rond. Kohnstamm volgde de maatschappelijke lijn van 'links' naar 'rechts'.

Maar er moet meer gebeuren. Individuele verschillen in begaafdheid moeten aanvaard worden, vindt Kohnstamm. Maar het streven naar gemeenschappelijke kennis, daar kan geen gemeenschap buiten. Ook de Europese niet. 'Eigenlijk zou er een soort Euro-woordenboek moeten komen. Want wat is dat voor federatie, waarin de gemeenschappelijke cultuur niet eens omschreven is?'

Meer over