Schoonheid in de diepte

Plunderaars, sleepnetten en paalwormen bedreigen eeuwenoude wrakken op de bodem van de Nederlandse wateren. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is een tegenoffensief begonnen door de monumenten minutieus in kaart te brengen.

Daar ligt ze. Haar rug in het zand, knieën met algen begroeid, de romp deels verscholen onder het slib. Krabben kruipen langs haar ribben omhoog. Hier, op een diepte van 21 tot 28 meter, ligt al bijna vier eeuwen de OVM14 roerloos op de bodem van het Oostvoornse Meer. Het scheepswrak, vermoedelijk een Oost-Engelse koopvaarder uit de VOC-tijd, krijgt opmerkelijk bezoek. Langs de westzijde doemt de lichtbundel op van Morrison van der Linden, die met zijn hoofdlamp door het alggroene water de planken beschijnt. Hij meet de breedten van het hout en tekent de constructie van het schip na op een kunststof lei. Alleen zijn opstijgende luchtbellen doorbreken de diepe stilte.

Links van hem zweeft maritiem archeoloog Liselore Muis in het schip. Samen brengen de duikers de bouw van de koopvaarder in kaart. Straks, boven water, worden hun bevindingen verwerkt in een computerprogramma dat de gegevens vertaalt naar de driedimensionale vorm van het schip, inclusief alle reparaties die erop zijn aangetroffen.

'Nog drie minuten', klinkt de stem van duikleider Léon Vroom vanaf de oppervlakte door het duikmasker van Muis. Ze antwoordt via een knop op haar mondstuk, rondt haar werkzaamheden af en stopt meetlint, lei, potlood en algenkrabber in een tas van visnetgaas. Dan stijgt ze met Van der Linden naar het wateroppervlak, waar twee collega's haar uit haar duikuitrusting helpen en twee nieuwe duikers naar de diepte afdalen om hun taken voort te zetten.

Een negenhoofdig team van maritiem archeologen en ingehuurde beroepsduikers is op een ponton midden op het Oostvoornse Meer neergestreken om vanaf daar de historische en wetenschappelijke waarde van de OVM14 (Oostvoornse Meer 14) te bepalen. De koopvaarder is een van de vele wrakken die vergingen op deze zijarm die, tot de afsluiting met een dam 64 jaar geleden een handelsroute vormde naar de haven van Rotterdam.

Op het duikersplatform staan een schaftcontainer, een duikcontainer, een opslagcontainer en een decompressiekamer. Onophoudelijk klinkt het geratel van een stroomaggregaat en het sissende zuchten van duikflessen die met nitrox worden gevuld. Terwijl Dark Side of the Moon van Pink Floyd door de duikcontainer klinkt, kiert de vroege ochtendzon door het grijze wolkendek. Gedurende een maand pendelen de duikers dagelijks van Slag Stormvogel aan de noordzijde van het meer, waar ze in strandhuisjes overnachten, naar het ponton. Ze verrichten waterkwaliteitsonderzoek, nemen monsters van wrakdelen voor de leeftijdbepaling, brengen scheepsdelen in kaart en rapporteren over de bedreigingen waaraan die blootstaan.

Op de bodem van de Nederlandse wateren liggen wrakken die de geschiedenis vertellen van meer dan vijfhonderd jaar scheepvaart. De vondst van scheepsconstructies, kanonskogels, musketierslaarzen, trompetten, instrumentaria en zelfs luizen in het stro van bedden maakt veel duidelijk over handelsstromen, levensstijlen en de bemanning - waar ze sliepen, wat ze droegen, aan welke hiërarchie ze zich moesten onderwerpen. Een admiraliteitsschip van 60 meter herbergde al snel een populatie van 200 tot 350 man. 'Zo'n schip is een dorp in het klein', zegt duikleider Léon Vroom. 'Een wrak is een tijdcapsule, een verstild moment uit de geschiedenis. Alle aanwezige materialen vormen stukjes van een historische puzzel die de tijd overleeft op de zeebodem.'

Het gaat niet goed met de onderwatermonumenten in Nederland. Ze worden bedreigd door plunderende duikers die hun vondsten op Marktplaats en Ebay zetten, door sleepnetten van vissersboten, sterke stromingen, kruiend ijs en, zoals hier in het Oostvoornse Meer, door de oprukkende paalworm, die het hout kapot vreet tot een gatenkaas. Zelden wordt geld vrijgemaakt om een wrak te beschermen of op te graven zodat het blijft behouden voor latere generaties. 'Stel je eens voor', zegt de Vlaamse projectleider Johan Opdebeeck, 'dat ik mijn oprit zou plaveien met gruis van opgeblazen hunebedden uit Drenthe. Nederland zou op z'n kop staan, maar naar waardevolle scheepswrakken wordt nauwelijks omgekeken.' Een speciaal bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed opgericht Maritiem Programma moet daarin verandering brengen, met onderzoek, bewustwording en opleidingsplekken voor onderwaterarcheologen.

Van de duizend 'beroeps'-archeologen in Nederland zijn er nu hooguit zes die zich professioneel bekommeren om het onderwatererfgoed, en dat in een land dat voor tweederde uit water bestaat. Conform het Verdrag van Malta, waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd, moet altijd archeologisch onderzoek worden verricht voordat de bodem van een zee, meer of rivier door bouwwerkzaamheden wordt aangetast. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de aanleg van de Maasvlakte en de verbreding van de IJssel bij Kampen, waarbij twee jaar geleden een 15de-eeuwse kogge werd ontdekt die volgend jaar wordt opgegraven. Het onderzoek in het Oostvoornse Meer is een initiatief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, dat zich zorgen maakt over de verzouting van het brakke water. Het doel van het inpompen van zout water is verdwijnende vissoorten in het meer te behouden, zoals platvissen en zeedonderpadden. De vernietigende paalworm is daarvan een onbedoeld gevolg.

Door de duikradio op het ponton klinken beurtelings de krakende stemmen van Frank Koppen en Aerjen Walta, die in de diepte metingen tussen de spijkers van het wrak verrichten. Van de OVM14 staat inmiddels vast dat het schip is gebouwd van Oost-Engels hout dat in 1635 is gekapt. Een schip werd doorgaans redelijk snel na de kap in elkaar gezet. Na 20 à 30 jaar waren houten schepen 'op', dan sloeg houtrot of paalworm toe, raakten de spijkers los of zonken ze als gevolg van noodweer, vijandelijke kanonskogels of piraterij.

Nederland was in de VOC-tijd de grootste zeevarende natie, maar ook de Britten waren groot en invloedrijk. Ze hebben vaak gevochten om de hegemonie op zee, maar er was ook een levendige handel tussen de twee naties. Over de bouw van de schepen is weinig bekend, omdat veel van die kennis van vader op zoon werd doorgegeven. Met de kennis van nu is veel te achterhalen van wat eeuwenlang onbekend bleef.

Projectleider Johan Opdebeeck is vandaag de laatste die naar de diepte gaat om metingen te doen. De zon schijnt uitbundig, het zicht onder water is goed, de OVM14 ligt er schitterend bij. 'Het is een van de best bewaarde wrakken hier', zegt Johan als hij weer bovenkomt. 'Maar als we nu niets doen, vreet de paalworm haar op en valt deze schoonheid binnen vijf jaar uit elkaar.'

undefined

Meer info: maritiemprogramma.nl

Meer over