School van de toekomst kan heel goed zonder computers

Is de school nog wel bij de tijd? Speelt zij wel genoeg in op de 'kennismaatschappij'? Voordat we de computers de klas in dragen, moeten we ons realiseren dat de bijdrage van de school aan het oplossen van maatschappelijke problemen slechts marginaal kan zijn, meent Hans Wansink....

DE SCHOOL is terug op de politieke agenda. Niet als vehikel voor maatschappelijke verandering, maar als achtergebleven gebied. Algemeen is de overtuiging dat het onderwijs de boot naar de 21ste eeuw aan het missen is.

Ook de Nederlandse regering is op zoek naar een nieuwe missie voor het onderwijs, met name voor het 'funderend' onderwijs voor vier tot zestienjarigen. Zij organiseerde een kennisdebat rond de centrale vraag: 'wat moet je weten en kunnen om in deze snel veranderende samenleving op een prettige manier te kunnen leven?' In de antwoorden komen kreten als 'vervlechting van onderwijs en samenleving', 'maatschappelijke inbedding', 'multimedialisering', 'levenslang leren' en 'innovatie' veelvuldig terug.

Staatssecretaris Netelenbos gaf de bestuurskundige Roel in 't Veld de opdracht om 'bouwstenen te ontwikkelen voor een beleidsvisie op het funderend onderwijs'. Het resultaat was een studie, Toekomsten voor het funderend onderwijsbeleid, waarin de consequenties van maatschappelijke veranderingen en wensen voor het onderwijs in de leerplichtige leeftijd worden uitgewerkt.

De Algemene Onderwijsbond (een fusie van ABOP en NGL) gaf een commissie onder leiding van de sociologe Henny Langeveld opdracht een rapport te maken over 'maatschappelijke trends die van bijzondere betekenis zijn voor het onderwijs'. Het rapport Optrekkende krijtdamp is een handzaam beleidsadvies.

Ik citeer een kernpassage: 'Onder invloed van de informatisering en onomkeerbare maatschappelijke ontwikkelingen zoals globalisering en individualisering dreigt het onderwijs zijn spilpositie in de organisatie van leerprocessen te verliezen.

'In de geïndividualiseerde informatiemaatschappij verandert de plaats van het leren. Leren wordt een levensstijl; er wordt geleerd op talloze plaatsen en talloze manieren. Via wereldwijde communicatienetwerken worden de toekomstige generaties geconfronteerd met een overvloed aan informatie. Het onderwijs zal leerlingen het gereedschap moeten bieden om zich in deze kennismaatschappij staande te houden.'

Het lijkt erop dat de onderwijsbeleidsmakers, na veertig jaar geobsedeerd te zijn door de gelijke kansen, aan een nieuwe obsessie ten prooi zijn gevallen: de kennismaatschappij. Ik wil hierbij enige relativerende opmerkingen maken, mij baserend op Amerikaanse bevindingen die kort samengevat op het volgende neerkomen: de kinderen vinden computers erg leuk, maar het onderwijs wordt er niet beter van en de economie kan heel goed zonder computers op school.

De marginalisering van laaggeschoolden, allochtone jongens is een tweede vraagstuk dat opnieuw om aandacht vraagt. Is er een ander beleid mogelijk dan het bouwen van meer (jeugd-)gevangenissen, zoals overal in het westen het nieuwe allochtonenbeleid lijkt te zijn?

'In de jaren zeventig werd de rekenlineaal in een vloek en een zucht vervangen door de zakrekenmachientjes; in 2010 zal elke leerling beschikken over een laptopcomputer die in de schooltas past. Het onderwijs heeft de hooggespannen verwachtingen die de afgelopen dertig jaar zijn ontstaan over de nieuwe media, nog niet waargemaakt', heet het in Optrekkende krijtdamp.

Extra investeren! Software-ontwikkeling subsidiëren! Bijscholen! 'Als de inhaaloperatie nu niet wordt ingezet, mist het onderwijs de aansluiting met de informatiemaatschappij.'

In Toekomsten voor het funderend onderwijsbeleid wordt de huidige informatietechnologische ontwikkeling vergeleken met de uitvinding van de boekdrukkunst, 'die voor gigantische veranderingen in de toenmalige samenlevingen heeft gezorgd.

De huidige trendbreuk wordt veroorzaakt door het gegeven dat de nieuwe media veel meer interactie toestaan dan bestaande media.' Sterker nog: 'informatietechnologie bevrijdt' en leidt zelfs tot 'gemeenschapsvorming', waarmee In 't Veld de discussiegroepen op Internet en de bezoeker van sites bedoelt. In 't Veld vroeg het aan tientallen beleidsmakers en trendwatchers en het antwoord was steeds hetzelfde: het onderwijs moet zo snel mogelijk aansluiting vinden bij de informatierevolutie. Waarom eigenlijk?

Todd Oppenheimer, redacteur van Newsweek Interactive, publiceerde in The Atlantic Monthly van juli een overzichtsartikel, The Computer Delusion, over de Amerikaanse stand van zaken. In de Verenigde Staten zijn de politici, de ondernemers, de leerlingen en de ouders over het algemeen razend enthousiast. President Clinton denkt aan een vijfjarenplan dat tussen de 40 en 100 miljard dollar mag kosten. Veel bedrijven schenken hardware en software aan scholen.

Een opiniepeiling onder leraren wees uit dat zij computervaardigheden essentiëler achten dan Europese geschiedenis, biologie, natuurkunde, scheikunde, techniek, moderne Amerikaanse literatuur, Plato, Shakespeare, of het behandelen van maatschappelijke vraagstukken als drugs en echtscheiding.

Om computers te kunnen kopen zetten scholen het mes in de bibliotheek, excursies naar musea en de natuur, pratica, kunst- en muziekonderwijs, gymnastiek en sport.

Iedereen is gegrepen door de computerkoorts, behalve de mensen die er echt verstand van hebben. Oppenheimer onderzocht vijf stellingen waarop de computercampagne is gebaseerd:

1. Computers verbeteren zowel de manier van lesgeven als de leerresultaten.

2. Om niet achterop te raken moet met computers zo jong mogelijk worden begonnen.

3. Computervaardigheden moeten onderwezen worden om de arbeidskrachten toe te rusten voor de informatiemaatschappij.

4. Technologieprogramma's van scholen leveren de noodzakelijke (financiële en materiële) steun van het bedrijfsleven op.

5. Internet betekent een verrijking van de leerervaring, door de beschikbaarheid van ontelbare experts en oneindige informatie.

Er is veel onderzoek gedaan naar de invloed van computers in het onderwijs, maar het meeste onderzoek is waardeloos - omdat het anekdotisch is, niet kan worden herhaald, statistisch onbetrouwbaar is of geen onderscheid maakt tussen verschillende factoren, zoals de projectgerichte aanpak (die ook zonder computers vaak beter is dan de klassikale methode).

Betrouwbaar onderzoek waaruit blijkt dat de computer de leerprestaties verbetert, is er niet. Voor zover er al sprake is van significante resultaten, betreft het zeer specifieke, geavanceerde programma's voor oudere leerlingen en voor gehandicapte leerlingen.

Veel onderwijskundigen onderstrepen de noodzaak van driedimensionale vormen van spelen en leren, het aanspreken van alle zintuigen, lichaamsbeweging, samenwerken, luisteren en het opdoen van echte ervaringen door excursies. Dit geldt vooral voor jonge kinderen.

Veel docenten klagen over de achteruitgang van scripties die op de computer zijn geschreven: knip- en plakwerk in plaats van een logische redenering. De software is nog steeds abominabel. CD-roms en simulatiespelletjes stellen niets voor en belemmeren de verbeeldingskracht van leerlingen, menen leerpsychologen. Technische scholen wijzen erop dat de beste leerlingen jongens zijn die thuis ervaring hebben opgedaan met sleutelen aan landbouwmachines of motoren.

Ook in het bedrijfsleven en de exacte wetenschap neemt de scepsis toe. Zelf Steve Jobs, de oprichter van Apple dat voor miljoenen aan computerspullen weggaf aan scholen, meent dat Amerika zich voor de gek houdt als men denkt dat computers, CD-roms en Websites de wezenlijk problemen van het onderwijs kunnen oplossen.

Werkgevers beklagen zich over de denkluiheid en het gebrek aan vernieuwingsvermogen van werknemers die veel achter de computer zitten. Computerfirma Hewlett-Packard neemt vrijwel nooit computerexperts aan, maar geeft de voorkeur aan flexibele en innovatieve teamwerkers. HP heeft zelfs een subsidieprogramma voor scholen die ouderwets exacte vakken doceren met behulp van materialen als klei, water, zand, zaden en magneten.

Producenten van animatiefilms en computerspelletjes klagen over de oppervlakkigheid en armoede van kunstenaars die met computers werken. Traditioneel opgeleiden, die van jongs af aan niet buiten hun schetsboek kunnen, maken de beste producten. Zij hebben leren kijken, bijvoorbeeld naar de manier waarop het lichaam beweegt.

Een hoogleraar computerkunde van het Massachusetts Institute of Technology waarschuwt tegen paniek: nieuwe studenten leren alle computervaardigheden die ze nodig hebben 'in één zomer'. Daar hoeft het onderwijs dus niks aan te doen.

Scholen die zich afhankelijk maken van computertechnologie, realiseren zich meestal niet dat de kosten van het op peil houden van software en hardware, van bijscholing van docenten uiteindelijk veel hoger zijn dan de aanvankelijke aanschaf van computers en lesmaterialen.

Wat betreft Internet tenslotte: daar staat vooral veel rotzooi op. Een hoogleraar computerkunde van Yale vindt dat er niet meer, maar minder gesurfd moet worden op school. 'Leren is niet het verzamelen van zoveel mogelijk informatie, maar het begrijpen van kennis en wijsheid'.

Computers zijn niet meer dan gereedschap dat zijn nut nog niet heeft kunnen aantonen, concludeert Oppenheimer. De virtuele werkelijkheid is een verarming ten opzichte van de fysieke werkelijkheid, een tweedimensionaal scherm is inferieur aan het spelen met echte voorwerpen. Leren luisteren, je individueel kunnen uitdrukken, je eigen fantasie volgen - het zijn essentiële manieren van leren die door de computerkoorts ondergesneeuwd dreigen te raken.

De conclusie ligt voor de hand. Langeveld en In 't Veld laten zich meeslepen door de waan van de dag. Het spelen met computers in het funderend onderwijs moet na de gewone lessen plaatsvinden. Zolang niet is aangetoond dat duurzaam betere resultaten worden bereikt, heeft het geen zin massaal computers de school binnen te dragen.

Wat zeker niet mag gebeuren is dat er geld en tijd wordt onttrokken aan onderwijs om informatisering te financieren.

De commissie-Langeveld stelt voor een praktische, op minimumdoelen gerichte opleiding te ontwikkelen voor leerlingen voor wie de basisvorming, dus ook het lager beroepsonderwijs, te hoog gegrepen is. Allochtone jongeren kunnen werken aan beheersing van het Nederlands. Samen met kleine bedrijven kunnen praktische, beroepsgerichte vaardigheden worden ontwikkeld.

Dit is een sympathiek voorstel. Zolang de arbeidsmarkt echter ruim blijft, zullen jongeren zonder diploma altijd worden verdrongen door beter opgeleiden. Niet het onderwijs, maar de arbeidsmarkt is de sleutel tot sociale cohesie. Dat betekent dat bedrijfsleven en overheid initiatieven moeten nemen tot het scheppen van werk voor laaggeschoolde jongeren.

In Duitsland bestaat een traditie van beroepsonderwijs dat door de Kamers van Koophandel wordt georganiseerd en dat de leerlingen uitzicht biedt op een baan. Eveneens in Duitsland functioneert een systeem van sociale dienstplicht (naast de militaire dienstplicht) die jongeren in aanraking brengt met werk in onder andere de gezondheidszorg en het schoonmaken van het milieu.

In Nederland houdt het bedrijfsleven zich afzijdig wanneer een beroep wordt gedaan op stageplaatsen of ervaringsplaatsen. Sociale dienstplicht, al dan niet in de gedaante van 'Lubbers-trainingskampen', wordt als stigmatiserend van de hand gewezen. Dat is jammer, want zo blijft alleen de (jeugd)gevangenis als beleidsinstrument over.

Of het nu gaat om informatisering of het ontsporen van jongeren: de bijdrage van het onderwijs aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken kan niet anders dan marginaal zijn. De school moet zich niet laten opjagen door ambitieuze beleidsmakers, maar vooral zichzelf blijven. Dat zij haar monopoliepositie op kennisoverdracht is kwijtgeraakt, is helemaal niet erg.

Op school moet je leren wat je nergens anders kunt leren. Het aantal verplichte uren in de basisvorming (de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs) is beperkt: namelijk 32. Ik stel voor ze als volgt te verdelen: Nederlands 4, Engels 3, een tweede vreemde taal 3, wiskunde 3, techniek en ambacht 4, natuurkunde, scheikunde en biologie 5, aardrijkskunde, geschiedenis en staatsinrichting 5, tekenen 2, muziek 1, gymnastiek 2.

Ook in de 21ste eeuw zijn dit geen overbodige vakken. Na drie uur 's middags is er dan nog volop tijd voor Internetten, koken, dansante vorming, persoonlijke hygiëne, vredesonderwijs, levensbeschouwelijke vorming en last but not least lessen in het beminnen.

Hans Wansink is redacteur van de Volkskrant. Dit artikel is ontleend aan een beschouwing in het politiek magazine De Helling dat deze week is verschenen.

Meer over