Schone handen

SHEILA SITALSING

Een krachtig voorbeeld van goede intenties met gruwelijke gevolgen is Goma, 1994. Zo'n twee miljoen Hutu's waren er halverwege dat jaar heen gevlucht, weg uit Rwanda, de Zaïrese grens over. Ze schurkten bij elkaar op de grond, natgeregend en ontheemd. Er brak cholera uit. Ze stierven als ratten, baby's en bejaarden eerst. Hartverscheurende beelden gingen de wereld over. Alras was er anderhalf miljard dollar ingezameld en hadden meer dan tweehonderd hulporganisaties hun vlaggen rond Goma geplant.

Probleempje: aanzienlijke delen van deze mensenmassa hadden kort tevoren enthousiast meegedaan aan het levend verbranden of met machetes in stukken hakken van zo'n 800 duizend Tutsi-landgenoten. De genocideplegers konden in de kampen fijn herbronnen en broeden op nieuwe methoden om 'de kakkerlakken', zoals Tutsi's in hun haatzaaitaal heetten, uit te roeien.

'De hulp - en alleen de hulp - onderhield een regime en een leger die verantwoordelijk waren voor het plegen van genocide', zei Fiona Terry, hoofd research bij Médecins Sans Frontières daar later over. Dat hulp soms meer fout doet dan goed, en soms zo veel fout doet dat het helpen verwordt tot medeplichtigheid aan gruweldaden, is geen nieuw inzicht. De journalist Linda Polman publiceert er al jaren over. Fiona Terry van MSF schreef er in 2002 al Condemned to repeat? The paradox of humanitarian action over. Terry zegt: do no harm, het motto dat vrijwel alle humanitaire organisaties voeren, is een illusie. Hulp is niet intrinsiek 'goed'.

Vandaag publiceert de denktank van MSF (in Nederland: Artsen zonder Grenzen) Humanitarian Negotiations Revealed, waarin de hulporganisatie de morele dilemma's in het veld schetst, en - verrassing! - onthult dat hulp soms gepaard gaat met vuile politiek en cynische keuzes.

Hiervoor kan MSF niet genoeg worden geprezen. Want nog te veel hulpclubs houden de schijn op dat je probleemloos kunt werken zonder vuile handen te maken in gebieden met corrupte of non-existente overheden, of waar een onoverzichtelijke gruwelijke strijd woedt tussen onduidelijke partijen. Iedereen die wel eens geprobeerd heeft iets relatief onschuldigs geregeld te krijgen in een matig georganiseerd ontwikkelingsland, weet dat zelfs dat niet kan zonder flexibel met principes om te springen.

MSF bewandelt al sinds 1971 de grens tussen het redden van mensenlevens en het steunen van onderdrukkers. Dat geschipper kun je de Realpolitiek van de hulp noemen, of situationele ethiek. De continue vraag is: onderhandel ik met deze massamoordenaar?

Polman stelt het in haar boek De Crisiskaravaan een tandje scherper: het is 1943, van de nazi's mag je hulp brengen naar de concentratiekampen, maar het kampmanagement mag bepalen hoeveel daarvan naar het eigen personeel en hoeveel naar de gevangenen gaat. Ga je die hulp brengen?

Thuis bij de verwarming, waar de wereld overzichtelijk is, is het oordeel snel geveld. Daar zijn clubs die hun directeur twee ton betalen, of roze stofzuigers verkopen, of zich door de Birmese junta laten vertellen wie ze wel of niet mogen opereren, of de helft van hun voedselhulp aan de plaatselijke militieleider schenken één pot nat. Idioten die je centen niet waard zijn.

Het is dapper dat MSF de discussie openbreekt door ons een blik in de keuken te gunnen. Het is ook hard nodig dat het gevende publiek zich bewuster wordt van de dilemma's rond hulp.

Schone handen houden kan. Uiteraard. Door lekker thuis te blijven en niks te doen, bij de verwarming.

undefined

Meer over