Schilders van dubbele bodems

De wijze steekt de draak met alles wat hij ziet, schreef Constantijn Huygens in de zeventiende eeuw. Een treffender samenvatting van wat de Leidse Fijnschilders in die tijd bezielde, is nauwelijks te geven....

De kunstenaars Gerrit Dou, Frans van Mieris en Gabriël Metsu schilderden een werkelijkheid waarin lering en vermaak hand in hand gingen. 'Onderwyzing', zo vonden de pedagogen, had een grotere kans van slagen als zij komisch werd verpakt. Deze opvatting gaf de rijke Calvinistische adel en burgerij het argument om zich over te geven aan plezier.

De Leidse Fijnschilders vonden dan ook gretig aftrek in deze kringen. Er werd gekocht en verzameld op bestelling. In de achttiende eeuw werden de genrestukken zo populair dat ook vorsten in het buitenland verzamelingen gingen aanleggen. Catharina van Zweden, August von Sterke, keurvorst van Saksen en de Venetiaanse aartshertog Cosimo de Medici lieten zich bedienen door de kunsthandel.

De collectie die August von Sterke aanlegde, was verreweg de grootste: ruim achtenveertig werken. De vernuftig en opzichtig ingelijste werken zijn nu voor het eerst te zien buiten de Gemäldegalerie Alte Meister in Dresden, waar de keurvorst hof hield.

De kleine paneeltjes, waarvan driekwart zich meestal in depot bevond, hangen nu in Het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden.

De tentoonstelling oogt prachtig. Vooral de kaarslicht-tafereeltjes zijn mysterieus en subtiel. Helaas blijven de details in de donkere delen van de schilderijen onzichtbaar achter het spiegelende glas.

Interessant is het zelfportret van Dou. De kunstenaar poseert in schrijfhouding temidden van attributen die verwijzen naar de beoefening van de overige kunsten. Een boek, een beeld van Hercules, een viool met muziekboek en een wereldbol. Dou was schilder maar beschouwde zichzelf vooral als wetenschapper in de zogenoemde 'Artes Liberalis', de kunsten zoals ze waren vastgelegd in de klassieke literatuur.

Fragmenten van die kunsten smeedde Dou aaneen tot één schilderij, één toneelvoorstelling als het ware, waarin elk requisiet ergens naar verwees. De bezoeker zal deze vaak literaire toespelingen niet onmiddellijk in de schilderijen herkennen. Daarvoor staan de gedichten van bijvoorbeeld Jacob Cats te ver van ons af.

En dat is het verwarrende aan de Fijnschilders: ze schilderden voortdurend dubbele bodems, die ze verstopten achter een façade van haarfijn nageschilderde, bijna levensechte dagelijkse taferelen.

Achter de genretaferelen in De Lakenhal gaan allerlei allegorische toespelingen en optische handstandjes schuil, die nauwkeurig in de boeken van die tijd zijn beschreven. Een bekend naslagwerk was bijvoorbeeld 'Iconologia' van de Italiaan Cesare Ripa. Daarin stonden klassieke afbeeldingen met een dubbele betekenis. De schilder voorzag de voorstelling van een eigentijds jasje.

De grap, die in sommige taferelen de boventoon voert, ontgaat ons daardoor enigszins. Neem bijvoorbeeld de Poelier van Gabriël Metsu. Een gewild onderwerp. Ook Dou en Van Mieris de Oude schilderden het onderwerp met enige regelmaat.

We zien een oude man in gesprek met een dame terwijl hij op enigszins onhandige wijze een hen in zijn handen houdt.

Metsu brengt een zogenaamde 'vogelaar', een 'hennetaster' in beeld. 'Vogelaar' en 'hennetaster' waren scheldwoorden voor een man die achter de vrouwen aanzat en zijn handen niet kon thuishouden.

August von Sterke wilde zo graag een dergelijk schilderij aan zijn verzameling toevoegen dat hij een waardevolle Van Dyck inruilde voor het schilderij Oude vrouw die wild verkoopt van Metsu. De voorstelling is opgebouwd rond de haas die midden in de voorstelling is geschilderd. Het is duidelijk dat de schilder de aandacht wil vestigen op dit dier. De haas was het symbool voor vruchtbaarheid en geslachtsdrift. 'Haasken jagen' betekende de liefde bedrijven. Von Sterke, een jager in de letterlijke en de figuurlijke zin van het woord, viel voor de prachtig ogende en bedrieglijk onschuldige haas.

De zeventiende-eeuwer stak graag de draak met wie zich te buiten ging aan wat dan ook. Dat deed hij niet alleen omwille van het vermaak of om de moraal. Er was nog iets anders. Buitensporig gedrag werd gezien als een symptoom van ziekte. En erom lachen was de beste remedie.

Meer over