Schijnarbeid

'Lees maar, er staat niet wat er staat', schreef de dichter Nijhoff. In het recht is het goddank meestal prozaher: glasheldere tekst waarin staat wat bedoeld is....

In het arbeidsrecht leidt dat tot problemen bij het onderscheid tussen de opdrachtovereenkomst en de arbeidsovereenkomst. Dat onderscheid is van groot belang. Voor de doorbetaling bij ziekte bijvoorbeeld en voor de ontslagbescherming. Alleen werknemers kunnen zich beroepen op de bepalingen van het arbeidsrecht. De opdrachtnemer grijpt mis.

Echte opdrachtnemers zijn advocaten, accountants, artsen, maar ook kappers en glazenwassers. Soms is het echter niet onmiddellijk helder of iemand als freelancer of werknemer werkt. Journalisten bijvoorbeeld, hebben de rechters hoofdbrekens gekost. En nog blijft onduidelijk waarom de freelance-opdrachtnemer is en de ander werknemer.

De rechtspraak heeft inmiddels criteria geformuleerd. Van belang is de bedoeling van partijen. Die blijkt uit het contract, maar ook uit de maatschappelijke positie van partijen. De rechter gaat ervan uit dat indien de werknemer/opdrachtnemer een aanzienlijke positie (bijvoorbeeld qua opleiding en de hoogte van het loon) heeft, eerder een opdrachtovereenkomst bedoeld is. Ook belangrijk is de mate van ondergeschiktheid. Hoe vrij is de opdrachtnemer/werknemer in de uitvoering en inrichting van zijn werk? Hoe vrijer, hoe eerder een opdrachtovereenkomst wordt aangenomen. Ten slotte speelt een rol of de arbeid bijkomstig is. Een grote economische afhankelijkheid leidt eerder tot de beschermende mantel van de arbeidsovereenkomst.

Meestal wordt de rechter ingeschakeld door de freelancer die claimt eigenlijk een arbeidsovereenkomst te hebben. Laatst moest de Hoge Raad andersom oordelen. Dekte de 'papieren' arbeidsovereenkomst de feitelijke lading? Een echtpaar had na echtscheiding een arbeidsovereenkomst gesloten. Mevrouw zou maandelijks van de BV van haar ex een salaris ontvangen van 1361,16 gulden. Ze hoefde er niet voor te werken. Na een aantal jaren vond meneer het welletjes, omdat mevrouw inmiddels samenwoonde met een nieuwe vlam. Mevrouw vorderde loondoorbetaling en vond de kantonrechter en het Hof aan haar zijde. Ze stuitte op de Hoge Raad die de tekst van de overeenkomst niet relevant vond. Partijen hebben nooit de bedoeling gehad dat mevrouw echt zou gaan werken in de BV van haar man. De strekking van de overeenkomst was een heel andere; het voorzien in levensonderhoud. En daar had de Hoge Raad natuurlijk gelijk in.

Dat meneer door deze constructie jarenlang zijn persoonlijke alimentatieverplichting als zakelijke (loon)kosten heeft kunnen aftrekken, een kniesoor die daarop let.

Meer over