Schiet toch op met jullieliefdadigheid

Met goed zichtbare noodhulp halen organisaties makkelijk geld binnen. Maar op dat soort hulp zitten vluchtelingen helemaal niet te wachten.

RINKE VERKERK FOTO'S THIJS HESLENFELD

Ze doen mondkapjes voor, controleren vaccinatiespuiten en trekken latex handschoenen aan. Voor een keet met dekens zet een man nog snel drie olijfboompjes neer. Het is woensdag, half twee 's nachts. De hulpverleners wachten nu af in de grote ontvangsttent van het vluchtelingenkamp al-Zaatari in Jordanië. Zeven minuten. Dan stoppen twee bussen voor de ingang. Er rolt een tweeling van een jaar of 3 uit. Na vier dagen reizen zijn ze zo moe dat ze om de paar stappen door hun knietjes zakken. Terwijl het eerste kindje hevig spartelt bij het zien van de spuit, sleept een gerimpelde man de tassen van een zwangere jonge vrouw naar binnen. Morgen krijgt iedereen een tent. Voor nu staat er thee klaar en kunnen de nieuwkomers terecht in een barak met 30 veldbedden.

Zo begint ieder verblijf in een van 's werelds best gelukte vluchtelingenkampen.

Al-Zaatari slaagt met vlag en wimpel voor bijna alle criteria die zijn opgesteld voor humanitaire noodhulp. Toch gebruikte Femke Halsema juist dit kamp als voorbeeld van een plek waar 'de gebreken van de disfunctionele markt van noodhulp zijn uitgestald', in haar geruchtmakende Van Heuven Goedhartlezing op 19 juni. Volgens Halsema kiezen hulporganisaties 'voor zichtbare hulp om de donateurs zoveel mogelijk te behagen', en 'bureaucratiseren' zij 'om al het werk en de goede bedoelingen dagelijks vast te leggen en uit te kunnen dragen.'

Heeft Halsema gelijk? Hulporganisaties als Artsen zonder Grenzen reageerden gepikeerd op haar kritiek en wezen op de succescijfers van de noodhulp in Syrië. 'Van eigenbelang is totaal geen sprake', vond Cees Breederveld, directeur van het Rode Kruis. Wat vinden vluchtelingen en hulpverleners er in Zaatari zelf van?

Logo's

Het eerste dat opvalt in het vluchtelingenkamp, is de overdadige aanwezigheid van de logo's van de hulporganisaties. Het tweede de afwezigheid van hulpverleners. Zij verblijven in Amman en bezoeken het kamp daarvandaan elke dag een paar uur. De logo's steken fel af tegen Zaatari's zanderige grauwheid. Ze staan op alle tenten, materialen, emmers, dekens, voedselverpakkingen, matrassen en hekken die het kamp rijk is. Achter de gemarkeerde hekken wapperen ze op vlaggen van schoolgebouwtjes, speelplaatsen, distributiepunten en medische posten.

Op een middag in een koffieshop wijst tolk Anwar (24) naar het dak en de muren. Ze zijn gemaakt van een deken waarop het logo van een Saoedi-Arabische hulporganisatie is geborduurd. 'Hulporganisaties moeten geld verdienen. Everything is business, man.'

Zaatari's Senior Field Manager Kilian Kleinschmidt noemt de manier waarop noodhulporganisaties geld inzamelen 'Cupcake Marktsysteem'. De Duitser werkt voor de UNHCR, maar staat bekend om zijn kritische en onconventionele ideeën over de noodhulpsector. Hij zit achter zijn bureau en plant een verfrommelde cupcake met een bons op de plattegrond van het kamp. 'Fondswerving van organisaties is gebaseerd op hardware, zoals deze cupcake. Je kunt het tonen, tellen, bestempelen met logo's, uitdelen en fotograferen. Zowel de relevantie als het kostenplaatje zijn daardoor makkelijk uit te leggen aan donateurs, en dat is handig om succes mee te promoten. Geen organisatie wil daarmee stoppen omdat ze inkomsten zou verliezen.'

Halsema noemt onderwijs als voorbeeld van zichtbare hulp. Unicef opent in september de derde school in Zaatari. Er zijn dan 15.000 schoolbankjes voor de 30.000 kinderen die in aanmerking komen. 12.000 daarvan staan geregistreerd als schoolgaand en Unicef zegt er meer te willen werven door middel van een campagne. In werkelijkheid zijn er volgens Kleinschmidt slechts 4.000 kinderen aanwezig. Waarom heeft Unicef het niet over deze cijfers? En waarom stort de organisatie zich niet eerst op dit probleem voor ze investeert in een derde school?

'Bahrein doneerde een complete school', legt Michele Servadei van Unicef uit. 'In ruil daarvoor willen zij wel duidelijk vermeld worden op het gebouw en de hekken.' Servadei's opdracht is voorzien in onderwijs. Beter een lege school die je nog kunt vullen, dan geen school.

Nog zo'n voorbeeld van zichtbare, maar nutteloze hulp. De Koreaanse ambassade doneerde vijf voetbalvelden en beloofde ook coaches te financieren, die volgens UNHCR essentieel zijn om jongeren te bereiken. De bouw zelf viel helaas duurder uit dan Korea had gepland. Nu is Zaatari vijf nagenoeg lege velden rijker, en moet van het beveiligingsbudget een bewaker worden betaald om de hekken om het veld te bewaken tegen diefstal. Geldschieters doneren dus vaak op eigen voorwaarden. Hulporganisaties moeten zich daar naar schikken.

Tonijn

Het komt volgens Chris Lee, de logistiek manager van UNHCR, vaak neer op 'verspilling van het geld van noodbehoeftigen.' Zo zit in de pakketten van het World Food Program (WFP) onder meer tonijn, pasta en pastasaus. Dat is makkelijk vervoerbaar, houdbaar, en verkrijgbaar. De producten passen alleen totaal niet in Syrische eetgewoonten, dus verkopen vluchtelingen ze voor veel minder buiten het kamp. 'Iedere gedoneerde euro is zo dus maar een kwartje waard. Drie kwartjes worden verspild. En hulporganisaties promoten dat werk nog als succes ook.'

Volgens Halsema missen de vluchtelingen 'de fut om zich teweer te stellen' tegen dit soort misstanden. Maar in Zaatari is dat bepaald niet zo. De bewoners gooien stenen naar hulpverleners om gehoord te worden en vernielen voorzieningen om van het materiaal te bouwen wat ze zelf willen. Ze dwingen af dat hulporganisaties het bestuur van dit kamp samen met hen vorm geven .

Van de vluchtelingen komt 93 procent uit Dara'a, Syriës zuidelijkste provincie. In dat grensgebied heeft de bevolking een uitstekende handelsgeest. Velen houden zich bezig met smokkel, en in Dara'a begon de Syrische revolutie. Met autoriteit hebben ze niet veel op. Na ervaringen in Kenia, Joegoslavië, Congo, Somalië en Pakistan zegt Kleinschmidt dat hij nog nooit met zo'n moeilijke groep mensen heeft gewerkt als hier, in Zaatari. 'Maar het is fantastisch. De Syriërs dwingen de noodhulpsector om haar betuttelende werkwijze te herzien.'

De reactie van Syriërs op alle logo's is tekenend: 'Het geeft ons het gevoel dat we de hele dag door dankbaar moeten zijn voor liefdadigheid van organisaties. Maar we willen helemaal geen liefdadigheid.' Hun dagelijkse leven draait om het opzetten van een lokale economie. Er zijn 3.000 bedrijfjes, waarvan 600 winkels. De logo's van hulporganisaties verspreiden zich over de privétoiletten, -douches en -keukens, die men dagelijks bouwt van weggesloopte materialen bij publieke voorzieningen.

'De bewoners van Zaatari eisen zelfbestuur op', zegt Kleinschmidt. Dat gaat niet altijd goedschiks, het kamp zit ook vol met criminele bendes. 'Wij regelen straatverlichting en binnen de kortste keren staat er een zelfbenoemde minister van elektriciteit op die het halve kamp binnen een week voorziet van privéstroom.' De man heeft nu 350 elektriciens in dienst en UNHCR moet hem betrekken bij alle elektragerelateerde beslissingen. 'Deze mensen zijn gewend voor zichzelf te zorgen. Het heeft dus geen zin om voor hen te bepalen wat ze eten, hoe hun huis eruit ziet, waar ze koken en waar ze schijten.'

Concurrentie

Sommige hulporganisaties geven vluchtelingen weer zelfstandigheid terug. Sirkus Magenta, gerund door een Finse organisatie, heeft betaalde medewerkers uit het kamp. Unicef nam naast zo'n 150 eigen onderwijzers 170 Syrische aan. Vanuit het World Food Program worden iedere morgen om 7 uur 500.000 broden uitgedeeld op vijf distributiepunten, bijna volledig gecoördineerd en bemand door Syriërs.

Aan de andere kant lijken veel humanitaire organisaties blind te zijn voor hoe Zaatari zich ontwikkelt tot een kleine stad, met een eigen lokale economie. Zo beheert het Rode Kruis nog steeds een opsporingskantoor op het terrein, van waaruit bewoners gratis naar familie en geliefden in andere landen kunnen bellen. 'Want om te overleven hebben we contact met onze geliefden nodig.'

Misschien, maar de belmedewerkers van het Rode Kruis worden door Syriërs bekogeld met stenen. 'Wij proberen ons inkomen te verdienen aan telefoonwinkels en het verkopen van beltegoed. Jullie vormen oneerlijke concurrentie tegen lokale ondernemers.' Overleven is voor deze kampbewoners niet het krijgen van genoeg spullen, maar het terugkrijgen van hun zelfstandigheid.

'Zaatari wordt nog steeds afgeschilderd als een noodbehoeftig kamp in zijn geheel, maar dat is het niet,' zegt Chris Lee. Volgens Lee en Kleinschmidt verkeert Zaatari in de overgangsfase van humanitair probleem naar een ontwikkelingsgebied. Dit betekent dat humanitaire hulp plaats moet maken voor economische steun en maatschappelijk werk. UNHCR gaat er bijvoorbeeld met de Jordanese overheid voor zorgen dat straks alleen de allerzwakste bewoners nog gratis worden voorzien van water en electriciteit. De rest moet betalen. Dat zou de positie van hulporganisaties enorm beïnvloeden. Een aantal organisaties heeft dan niks meer te doen, een ander deel moet de werkwijze grondig omgooien.

En dat gebeurt ook, bijvoorbeeld door het eerder genoemde World Food Program. Dat lanceert een systeem met waardebonnen waarmee Syriërs zelf kunnen bepalen waaraan zij hun budget willen besteden. Dorte Jessen: 'Voedsel uitdelen kost 30 dollar per persoon. Het bonnensysteem kost 40 dollar per persoon, dus op papier is onze hulp veel duurder geworden. Maar dit systeem is veel waardevaster dan het uitgedeelde voedsel dat voor weinig wordt doorverkocht.'

Deze vorm van bestuur is ook een vermarkting van de noodhulp. Het vouchersysteem wordt opgezet met Mastercard, WFP en UNHCR spreken met grote supermarktketens over het openen van filialen in het kamp. Maar in tegenstelling tot het cupcakesysteem is dit systeem gericht op het voortbestaan van de vluchtelingen en niet op dat van de hulporganisaties.

Het zijn kleine tekenen dat de hulpsector zelf begrijpt dat het roer om moet. Tegelijkertijd blijven Lee en Kleinschmidt sceptisch. Zo verloopt de verandering bij het WPF volgens Lee enorm traag: 'Ze hebben er nog steeds belang bij om het oude systeem grotendeels te behouden. De waarde van cash transfers en waardebonnen is voor donateurs lastig te begrijpen, na jaren van zichtbare noodhulp.' Kleinschmidt: 'Ik heb in 1992 het Karkuma kamp in Kenia helpen opzetten. De 90.000 vluchtelingen hebben nu 20.000 lokale Kenianen in dienst. Maar ze krijgen nog stééds hun cupcakes. Gratis. Dat is liefdadigheid, maar geen waardigheid.'

In plaats van rekenschap afleggen aan de donateurs, zouden de organisaties meer rekenschap moeten afleggen aan de vluchtelingen. Lee weet wel een effectieve manier waarop dit zou kunnen: hulporganisaties moeten vooraf duidelijk maken wanneer ze weer weg gaan. 'Ze moeten zichzelf binden aan een datum van vertrek en met vluchtelingen contractueel vastleggen wat ze voor die tijd hebben bereikt. Zo verplichten ze zichzelf om effectief te werken, gericht op het belang van de mensen die ze helpen.'

0,5 miljard

kosten per dag

Zaatari opende op 28 juli 2012 en is gebouwd voor 60.000 vluchtelingen. Inmiddels wonen er 115.000, waarvan 60.000 kinderen, verdeeld over 25.000 families. Het kamp slurpt een half miljoen dollar per dag op. Zaatari heeft de Jordaanse overheid een miljard dollar gekost. Slechts 30 procent is gesponsord met noodhulpbudgetten.

hoognodige pauze

Kilian Kleinschmidt sprong in als crisismanager op 12 maart 2013, op aandringen van UNHCR. Za'atari stond door gewelddadigheid en wanorde op exploderen, en UNHCR zag geen ander persoon die dat kon oplossen.

De pauze die voor zowel Kleinschmidt als zijn gezin hoognodig was na een heftige periode in Somalië, werd geannuleerd.

Inmiddels heeft Kleinschmidt toegezegd dat hij nog twee jaar Senior Field Manager zal blijven. Hij opereert vrijwel onafhankelijk, als vertegenwoordiger van de Syriërs.

undefined

Meer over