Schepper van een nieuwe werkelijkheid

Antwerpenaar Eddy van Vliet, zaterdag overleden, debuteerde in de jaren zestig met gedichten vol particuliere weemoed . Zijn werk is altijd autobiografisch gebleven, maar hij nam zijn weemoed steeds minder serieus....

Piet Gerbrandy

DOOD. Heb geen angst. Talm niet / voor mijn deur. Kom binnen.

Zo luiden de eerste twee regels van wat waarschijnlijk het bekendste gedicht van Eddy van Vliet was. Zaterdag overleed de dichter in een ziekenhuis in het Belgische Roeselare, kort na zijn zestigste verjaardag, aan een hersentumor.

Van Vliet werd in 1942 in Antwerpen geboren. Hij was te jong om de oorlog bewust mee te maken, al werd een Amerikaans bombardement hem bijna fataal. Jaren later vertelt hij hoe zijn vader zich op hem wierp om hem tegen de bommen te beschermen.

Dat juist die vader het gezin in maart 1955 verliet om bij zijn minnares in te trekken, heeft een zware schaduw over de jeugd van Van Vliet geworpen. 'Die morgen / liep hij van de keuken naar de straatdeur / en kwam niet weer.' Onder invloed van de echtscheidingsperikelen van zijn ouders besloot Van Vliet, hoewel hij eigenlijk liever letteren was gaan studeren, advocaat te worden, een beroep dat hij metterdaad zou uitoefenen.

In 1964 verscheen zijn eerste bundel gedichten, met de veelzeggende titel Het lied van ik. De eerste tien jaar van zijn dichterschap schreef Van Vliet gedichten vol particuliere weemoed en een flinke dosis politiek engagement. Hoewel de kritiek nooit lovend was, ontving hij in die jaren al diverse literaire prijzen, waaronder - als eerste Vlaming - de Reina Prinsen Geerligsprijs.

In de jaren zeventig begon hij met meer afstand en relativering over zijn zieleroerselen te schrijven, al bleef zijn poëzie tot het eind toe sterk autobiografisch getint. In 1978 schreef hij nog 'naar de dichter die de maker is / heb ik de rug toegekeerd // van de dichter die de ziener is / ben ik blind gebleven.' Maar terecht constateert Bernlef in een nawoord bij een bundel uit 1983 dat Van Vliet steeds meer een maker werd, die niet zozeer de bestaande werkelijkheid beschreef, als wel een nieuwe werkelijkheid schiep.

Met Cees Buddingh' stelde Van Vliet de invloedrijke bloemlezingen Poëzie is een daad van bevestiging (1978) en Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten (1982) samen. Ook was hij een graag geziene gast op poëziefestivals en zat hij, bijvoorbeeld in zijn column in De Poëziekrant, nooit om een mening verlegen waar het de staat van de hedendaagse literatuur betrof. Zijn werk werd onder meer vertaald in het Engels en het Zweeds.

De laatste bundel van Eddy van Vliet - afgezien van een onlangs verschenen bloemlezing uit eigen werk - is het episch gedicht Vader (2001), een bijna zeventig bladzijden tellende ode aan de man die hem in 1955 verliet en met wie hij de banden inmiddels weer aangehaald had. Toen het eind van zijn vaders leven in zicht kwam, besloot Van Vliet een gedicht aan hem te wijden, als een soort in memoriam vóór zijn dood. Uiteindelijk heeft de vader de verschijning van het boek niet meer meegemaakt.

Het is pijnlijk dat deze voorbeeldige zoon, zo kort na het oprichten van dit monument voor zijn vader, zelf de dood heeft moeten binnenlaten. 'Lees mijn boeken', zegt hij tegen zijn gast, 'in negen van de tien / kom je voor. Je bent geen onbekende.'

Meer over