Schaamteloze romantisering

Anita van 18 probeert onder haar jas een elpee van Simon & Garfunkel naar haar kamer te smokkelen. Haar moeder moet er niets van hebben....

De rebelse dochter heeft genoeg van haar overbeschermende moeder en trekt de wijde wereld in; haar platencollectie schenkt ze aan haar broertje, een vroegwijs jochie van elf.

Dat joch is schrijver/regisseur/producent Cameron Crowe, die voor zijn vorige regie Jerry Maguire een Oscarnominatie kreeg. Almost Famous is de roze-rood gekleurde verfilming van Crowes bliksemcarrière als popjournalist: via de schoolkrant en het popblad Creem (waar hij leert tegelijk aardig en ongenadig te zijn) belandt hij bij het prestigieuze Rolling Stone.

William Miller, zoals Crowe in de film heet, mag mee met de Almost Famous Tour van de rockband Stillwater. Deze band, een verzonnen kruising tussen Led Zeppelin en The Almond Brothers, is een middelmatige rockgroep die worstelt met succes, zoals zijn Creem-leermeester Lester Bangs het treffend verwoordt. Als de getalenteerde gitarist meer aandacht krijgt dan de zanger, zijn de poppen aan het dansen.

Crowe, die eerder dit jaar een Oscar kreeg voor zijn scenario, paart warme herinneringen uit de jaren zeventig aan een enorme passie voor muziek. De soundtrack is aanstekelijk, het spel eveneens. Van Philip Seymour Hoffman, als de hoofdredacteur van Creem, en Frances McDormand, als de liefhebbende dwangneurotische moeder, tot de debuterende Patrick Fugit (de jonge Crowe) en de engel-achtige Kate Hudson; het zijn allemaal kunststukjes. Niet voor niets werd zowel Hudson, de dochter van Goldie Hawn, als McDormand genomineerd voor een Oscar.

Almost Famous schetst een schaamteloos romantisch beeld van de jaren zeventig. Rafelrandjes ontbreken. De aartsbrave Simon & Garfunkel zijn de personificatie van het ultieme kwaad, groupies heten band aids, en wie met een lijf vol LSD van het dak afspringt, belandt veilig in het zwembad.

Door Crowes film ben je bijna bereid te geloven dat het echt zo leuk was.

Meer over